Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1

cas 't Is waar ook, maar één ding moet ik toch bij deze gelegenheid zeggen, Heer Olderman! dat gij namelijk dien schurk van een lapzalver (Daamke, geloof ik, is zijn naam) uit uw dienst moet jagen; of dat wij het geestelijk zwaard tegen hem zullen uittrekken."

.Tegen Daamke!" herhaalde Aylva: .en wat heeft die arme duivel bedreven?"

„Met recht noemt gij hem een duivel; althans hij is van degenen, die den satan, den verleider, dienen en hulp van hem afbidden om kwalen en ziekten te genezen, verwerpende de middelen, _ die van God gezegend zijn en in ons klooster (of nu, och arm! buiten ons klooster) worden bereid ten dienste van kranken en gewonden. Heeft hij zich niet onderstaan, de verworpene die hij is, twee van mijn conversen, waarvan de eene een balk op zijn schouder gekregen en de andere zijn dij deerlijk gebrand nad, te herstellen met een Italiaansche tooverzalï, die zeker in de apotheek van den kwaden vijand is klaar gemaakt?"

„Ik heb het middel onderzocht," zeide broeder Syard: „het komt mij voor, niets anders geweest te zijn, dan wat spek en laurierbladen."

„Wie had u opgedragen, u met dat onderzoek te belasten?" vroeg de Abt eenigszms ontevreden: „om 't even wat men u vertoond heeft: ik zeg alsnog: er zijn duivelsche ingrediënten bij. Denken wij altijd: libera nos a diabolo: verlos ons van den Booze. —Maar, om van dien verwaten menach af te stappen: gij zijt altijd netjes en keurig als een serafijntje, Freule! maar heden toch zullen de beste pronksieraden uit de kas dienen voor den dag te komen; want het is geen gewoon bezoek, dat op Aylva-stins verwacht wordt."

Geen gewoon bezoek!" herhaalde Madzy: „en wie kan er dan komen voor wien ik mij meer zou moeten opschikken, dan voor uw Eerwaardigheid?"

„Het is zooals de vrome vader zegt," zeide Aylva: „de Bisschop van Utrecht zal onze nederige woning met een bezoek vereeren: en wij zullen dus eenige schotels meer aan den disch moeten hebben."

„De Bisschop!" herhaalde Madzy, verbleekende: „de Bisschop van Utrecht!"

„Nu ja!" zeide de Abt: „gij behoeft daar niet zoo voor te schrikken : 't is geen oude weerwolf, die u aan zal zien alsof hij u wilde verslinden; maar een aardig, beleefd jonkman, die zijn woord wel weet te doen: — 't zou mij niet verwonderen, zoo hij dames medebracht; want er is heden een heel troepje vrouwlui te Bolsward aangekomen; en zoo ik hoor, vroegen zij naar den Bisschop." i „Hij zal zijn bijzitten toch niet hier brengen!" mompelde Aylva binnensmonds: — „maar neen; dat kan niet zijn. Een Arkel heeft daartoe te veel gevoel van betamelijkheid. — Nu Madzy!" vervolgde hij overluid: „doe uw best, mijn kind! want ik verzeker u, de Bisschop is een kenner aan tafel en weet over pastijen en taarten te redeneeren als de beste kok."

„Ik zal ik zal uwe bevelen volgen " stamelde Madzy:

Sluiten