Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18. Leg ik er mij op toe, om in den geest van liefde, voor zooveel ik kan en mag, mij naar de luimen, onvolmaaktheden en zwakheden der medezusters te schikken ? — Ben ik integendeel niet eene van diegenen, die willen, dat allen zich naar haar schikken ? — Verlang ik ook, dat zij voor mij toegevend zijn , zonder dat ik mij wil schikken of haar wil toegeven ?

19. Stoor ik de liefde en eensgezindheid niet, door het gedrag en de handelingen mijner Oversten of hetgeen in de Congregatie ingevoerd is of zal worden, te beoordeelen , af te keuren, of daarover te morren ? Heb ik dergelijke gesprekken niet aangehoord en goedgekeurd ?

20. Wanneer ik nnj aan eene openlijke fout tegen de liefde, gehoorzaamheid, enz. had schuldig gemaakt, en daardoor vele Zusters ontsticht had, heb ik dan de mogelijke ontstichting, zooveel in mij was, weggenomen door mij daarvan ootmoedig en eenvoudig in de schuldbelijdenis te beschuldigen, en de Zusters te verzoeken, mij daarin niet na te volgen ?

21. Wanneer ik in eene Zuster eene gewichtige fout bemerkte , of eene Zuster door eene aanmerkelijke bekoring geplaagd zag, zonder dat zij het gevaar daarvan inzag, heb ik dit dan in het geheim aan mijne Overste bekend gemaakt ? — Deed ik dit uit liefde en met liefde, na eerst mijn hart door het gebed bereid te hebben ? — Deed ik het soms niet uit drift, — met eene geheime vreugde , omdat de Zuster mij vroeger ooit gehinderd, of, zoo ik meende, beleedigd had, of

Sluiten