Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gendheid, bijzonder op de ingetogenheid toegelegd? — Gaf ik aan mijne oogen niet te veel vrijheid, om nieuwsgierig op of rond te zien ?

11. Wanneer ik moest of mocht spreken, heb ik mij dan toegelegd, om te spreken gelijk het behoorde ?

— Heb ik de gebreken vermeden , waarop de Regel mij opmerkzaam maakt? — Was ik in het spreken niet voorbarig, maar dacht ik eerst, wat ik moest zeggen ? — Viel ik niemand in de rede ?

12. Spreek ik eerbiedig tot de Priesters, de Overste en de oudere Zusters ? — Neem ik in den omgang met mijne medezusters, de regelen van liefde en wellevendheid in acht ?

13. Wanneer ik met vreemdelingen of wereldlijken spreken moet, let ik dan op de voorzichtigheid, de zedigheid en welvoeglijkheid , die mij , als Zuster van liefde , betamen ?

14. In welken geest heb ik de recreatie genomen ?

— Heb ik gezorgd , die te heiligen door een zuiver inzicht, namelijk : om mijn geest daardoor geschikter te maken voor den dienst van God, — aan mijn lichaam nieuwe krachten te geven, om mijne bezigheden behoorlijk te kunnen waarnemen, de onderlinge liefde te bevorderen ?

15. Beschouw ik den tijd der recreatie niet als een tijd , waarin ik niet op mij zelve behoef te letten , de versterving niet behoef te oefenen, en aan mijne zinnen en neigingen alle vrijheid mag geven ?

10. Bedenk ik wel, dat ik ook ten tijde der recreatie religieuze blijf, en dus dien tijd ook mijne Z M 4*

Sluiten