Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 5, 6.

8. Leid mij in Uw gerechtigheden,

Om mijn verspiedren wil, en richt Uw wegen voor m;jn aangezicht : Dan zal ik veilig voorwaarts treden, Met vaste schreden.

9. Al 't recht is van hun mond geweken,

Zij leggen 't op verderven toe :

Hun keel is nooit verslindens moe; Hun tong tracht vleiend, ons door treken Naar 'thart te steken.

10. Draagt Gy, o God! hen nog geduldig?

Verwoest hun raadslag; drijf hen heen. Daar ze Uwe wet zoo stout vertreên. Zij tergen U te menigvuldig:

Verklaar hen schuldig.

11. Maar geef Uw dierbren gunstelingen,

Wier geest in U zyn sterkte vindt,

Wier hart Uw naam oprecht bemint, In U volvroolök op te springen,

En biy te zingen.

12. 't Rechtvaardig volk zult Gy beloonen,

Terwijl Gij, Heer ! hen overdekt, Hun tot een veilig schild verstrekt. Gy zult goedgunstig hen bekronen,

Ja by hen wonen.

1 = g. PSALM 6.

6*6 6 5 • 5 • 6 1 • 7 1* 3*3 5 432*

0 Heek! Gjj zyt wol - - - da - - - dig; Strafmjj nieton-gc-na-

1 • 15• 6 17 6 3* 5*5 4 3 2 1*6*

dig, In U-wentoor-ne-gloed. Ai! ma-tig Uwka-sty -den;

2*2 1 7 6 1*5* 6*3 3 2*7 *6 •

Sla mü met mo-do • iy • den, Ge • lyk een va- der doet.

2. Vergeef my al niyn zonden,

Die Uwe hoogheid schonden:

Ik ben verzwakt, o Heer !

Genees my, red mijn leven:

Gy ziet myn beendren beven;

Zoo slaat Uw hand my neer.

Sluiten