Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 11, 12;

2. Dus wordt gewis, in 't veilig samenleven,

De grondslag van 't vertrouwen omgerukt. Wat heeft het volk, 't rechtvaardig volk, misdreven ?

Maar de Opperheer, voor wienal't schepsel bukt, Ziet van Zijn troon oplettend naar beneden;

Hij. die nooit duldt, dat de onsch uld wordt verdrukt, Proeft elks gedrag, zelfs met Zijn oogenleden.

3. De alwjjze God beproeft wel eens de oprechten.

En tuchtigt hen; maar elk, die 't kwaad bemint, Die met geweld zijn naaste durft bevechten,

Blijft steeds gehaat, tot hem de wraak verslind'. God heeft alreeds der boozen straf gezworen: Straks dalen vuur en strikken, wervelwind En zwavel neer:die kelk is hun beschoren.

4. Rechtvaardig is de Hkek in al Z{jn handel;

Hij, die in 't recht zijn welbehagen vindt,

Slaat gunstig 't oog op aller vromen wandel.

1 = d. PSALM 12.

6*4 5 6 *1*6 4 5 4 3*2* 6 • 6

Be-houd, o Heer! wil ons te hul-pe ko ■ men, Daar 'tvolk

5 6*2*6 2 1*7*6* 2*4 4 3*

ontbreekt, dat liefde en vree be - tracht, De trouw bezwijkt,

2*6653 4*3*6* 16 4*5*6

en 't klein ge-tal der vro-men Nog kleiner wordt in 'tmen-

2 4*3*2*

sche-1 ijk ge- slacht.

2. 't Is al bedrog en valschheid wat zij spreken: Do vleierij, een bron van bittre smart Glijdt van de tong als vloeiende oliebeken:

Zj|j spreken niet dan met een dubbel hart.

3. De Heer, die 't waar' van 't valsch kau onderscheien,

En 'smenschen hart, hoe listig ook doorziet; Snij spoedig af de lippen, die ons vleien, De trotsche tong, wier grootspraak elk verdriet.

4. Die zeggen: „wij, wij zullen zegepralen

„Met onze tong, zij staat in ons geweld; „Wat oppermacht zet onze lippen palen ?

„Wie is de heer, die ons de wetten stelt?

Sluiten