Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 14, 15.

Naar 's hemels troon gewoon is 't oog te wenden, En zich, in zijn bedrukten jammerstaat,

Op God verlaat.

7. Och daalde 't heil uit Sion spoedig neêr Voor Israël! als God Zijn volk uit lijden En handen redt, zal Jakob zich verblijden, En Israël al .juichend geven de eer Aan zijnen Heer.

1 = C. PSALM 15.

5*5 5 6 • 1 • 7 76*6*7 i 2 • 6*1

Wie zal ver-kee-ren, groo-te God! In U-we tent'? wien zu'.f

1' 7*6* 6*6 6 5*5*6 7 i* 3*2 1

Gij kro-nen Met zulk een on-waar-deer-baar lot, Dat hij bii

7*6* 1 i 7* 2* 1' 67*6*7

't heug - ljjkst gun.st-ge-not, Uw hei - lig Si - - on nioo;;

1' 6*5*

be - wo - nen?

2. Die in zijn wandel zich oprecht En wars betoont van valsche streken;

Zijn aandacht aan Uw wetten hecht;

Zich op de deugd met ijver legt,

En waarheid met zijn hart blijft spreken.

t 8. Die met zijn tong niet achterklapt;

Geen kwaad doet aan zijn metgezellen;

Niet in het spoor van laster stapt;

Maar, zoo men iemands eer vertrapt,

Dien smaad wil hooren noch vertellen.

4. Wiens oog verworpenen veracht,

Maar hen eerbiedigt, die God vreezen;

Die zich voor roekloos zweren wacht,

Doch 'tgeen hij zweert getrouw betracht,

Al zou 'them ook tot schade wezen.

5. Die nooit zijn geld op woeker geeft;

Die. de onschuld en het recht genegen,

Het oog op geen geschenken heeft:

Wie dus oprecht en deugdzaam leeft.

Zal nimmer wanklen op zijn wegen.

Sluiten