Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 17, 18.

5. Zoo zoeken mij vergeefs, o God! De boozen die mij fler omringen,

Mijn haters, die mij stout bespringen,

En juichen om mijn naadreud lot. Zij z;jn met vet als overtogen;

Hun mond is vol van hoovaardu; Hun list en macht omsinglen mu; Zij duiken, loerend met hun oogen.

6. Geen leeuw is heeter op de jacht;

Geen jonge leeuw kali, in z«n kuilen, Met meerder list het oog ontschuilen,

Dan hij, die mij ter prooi verwacht. Beschaam het aangezicht der boozen , Uw grimmigheid veil' lien ter Bevrijd mij met Uw zwaard, o Heer. Van 't snood geweld der goddeloozen.

7. Bed mij van hen, die 't ruim genot Der wereld voor hun heilgoed achten, Geen deel, dan in dit leven, wachten,

En maken van den buik hun God, Van hen die weelde, schatten, staten. Hoe lijk, hoe uitgebreid, hoe groot. Verliezen moeten met den doou, Eu hunnen kindren overlaten.

8 Maar (blij vooruitzicht dat mij streelt!) Ik zal. ontwaakt. Uw lof ontvouwen. U in gerechtigheid aanschouwen. Verzadigd niet Uw godhjk beeld.

"TTbel PSALM 18"

ö *i • i • 7 7 1 2 3 2 i • 7 • 5 • 6 1

^u zal mijn ziel. nu zul len al mijn zin-nen, 0 God, ntfn

7*2*1 i 7 6 7-6* 6 • i 1 7*6*

• .arkte. U har-te-lijk be min nen. Mijn steenrots, burg en

r-z-ier/l O» *3 • C» fi • i • 7 6 6 5

hei-per is de Heer. Mijn God, mijn rots, mijn za lig heid, mijn

6* 6 • i•i•7 7 1 2 3 2 1*7*

eer lA Betrouw op God; Hij is mijn schild 111 'tstr«-den,

P,. 6 i 7*2*i i 7 67*6* 6*

Dc hoorn mijns heils. mijn hoog vertrek in lij den: k Aan

i i 7*6*56 5 4 3* 3*55

risp den Heer. wiens lof mijn harp ver-meldt, En werd ver-

Sluiten