Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 21.

2. "Wat htj U smeekte uit 's harten grond

En al zijn rein verlangen Hebt Gij hem doen ontvangen: Ook hebt Gij de uitspraak van zijn mond. Al wat hij heeft begeerd,

Geweigerd noch geweerd.

3. Gij, die hem gunstig hebt gered,

Zijt hem, met volle stroomen Van zegon, voorgekomen;

Ook hebt Gij hem op 't hoofd gozet, Hem, die op U betrouwt,

Een kroon van 't fijnste goud.

4. Hü heeft, o God! van U begeord

Het onverganklijk leven:

G;j hebt het hem gegeven.

Zoo zijn de dagen hem vermeërd; Zoo leeft de Vorst altoos,

Zoo leeft hij eindeloos.

5. Hoe groot en schittrend is zijn eer,

Door 't heil aan hem bewezon!

Hoe is zijn roem gerezen, O alvermogend Opperheer!

Wat glans, wat majesteit Hebt Gij dien Vorst bereid!

6. Gewis, Gij zult alle eeuwen door,

Hem met Uw gunst verzeilen,

Eu tot een zogen stellen:

Ja, Gij geleidt hem op het spoor Der vreugde, bvj het licht Van 't godlijk aangezicht.

7. De Koning rust op Uwe trouw,

O eeuwig Opperwezen!

Uw goedheid, nooit volprezen,

Duldt niet dat hy ooit wanklen zou: Neen, de Allerhoogste zal Hom hoeden voor den val.

PAUZE.

8. Uw sterke hand zal onverwacht

Al Uwe haters vinden;

Uw wraak zal hen verslinden; Uw rechterhand zal eens, met kracht, Vernielen en verslaan Hen, die Uw rijk weerstaan.

Sluiten