Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 27, 28.

5.Mtjn hart zegt mjj, o Heek! van Uwentwegen: „Zoek door gebeên met ernst Mijn aangezicht."

Dat wil, dat zal ik doen; ik zoek den zegen Alleen bij U, o Bron van troost en licht! Verberg toch niet Uw oog van mij, o Heer! Ik ben Uw knecht, zie niet in toorne neêr; Gij waart mijn hulp in al mijn zielsverdriet: O God mijns heils! begeef, verlaat my niet.

6. Want, schoon ik zelfs van vader en van moeder

Verlaten ben: de Heer is goed en groot;

Hij is en blijft mijn vader en behoeder.

Leer mij, o God! Uw weg in allen nood.

Bestuur, om mijns verspieders wil, mijn voet Op 'teffen pad; dat 'svyands euvelmoed Mij nimmer treff'! Vervoerd door list en dwang Getuigt men valsch tot mijnen ondergang.

7. Zoo ik niet had geloofd, dat in dit leven

Mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou,

Mijn God! waar was mijn hoop, mijn moed gebleven? Ik was vergaan in al mijn smart en rouw. Wacht op den Heer, godvruchte schaar, houd moed, Hij is getrouw, de bron van alle goed:

Zoo daalt Zijn kracht op u in zwakheid neêr Wacht dan, ja wacht; verlaat u op den Heer.

1 = f. PSALM 28.

2*3 •1*6 6 7 2 * • 2* 4*45

Ik roep tot U, o eeu - wig We • zen! Mijn rotssteen,

6 6 5 43*2* 6 • 2 • 4 • 3 2

nooit naar eisch vol-pre - zen, Wend niet, als doof, van

11 7*6*2*4«3«2 12 4

mij Uw oo - - ren; Zwijg niet, laat mij Uw ant- woord

3.4* 6*4 5 2 4 3*2 • 1 • 4*32

hoo-ren; Op - dat ik niet ge-re • kend word' Met die in

* 2 2 t 2*

'tgraf zijn neer-ge-stort.

2. Hoor naar mijn stem en kermend sineeken,

Als ik mijn handen op zal steken Naar de aanspraakplaats, Uw heiige woning:

Trek mij niet weg, o Opperkoning!

Met hen, wier argelistigheid,

In schijn van vrede, kwaad bereidt.

Sluiten