Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 33.

En naai' den diepen afgrond snellen,

Waar zij beperkt zijn in hun loop.

Laat al de aard Hem vreezen,

Die als 't Opperwezen,

'tAl heeft voortgebracht;

Laat de wereld schrikken;

Laat ze alle oogenblikken,

Siddren voor Zijn macht,

5. Geen ding geschiedt er ooit gewisser,

Dan 't hoog bevel van 's Heeren mond.

Zijn godlijke almacht spreekt, en 'tis er,

Zijn wil gebiedt, en 't wordt terstond.

' Schoon de heidnen samen List op list beramen,

God verbreekt hun raad :

Schoon do Mogendheden,

Snoode ontwerpen smeden,

Hij belacht haar haat.

6. Maar de altoos wijze raad des Heeren

Houdt eeuwig stand, heeft altoos kracht;

Niets kan Zijn hoog besluit ooit keeren;

't Blijft van geslachte tot geslacht.

Zalig moet men noemen,

Die hun Maker roemen Als hun Heer en God,

'tVolk, door Hem te voren Gunstig uitverkoren Tot Zijn erf en lot.

2. PAUZE.

7. De groote Schepper aller dingen

Ziet, uit het ongenaakbaar licht.

Hot gansch gedrag der stervelingen ;

Niets is bedekt voor Zijn gezicht.

Uit Zijn vaste woning,

Daar Hij heerscht als Koning,

Daar Zijn lof, Zijn eer,

Klinkt door al de bogen,

Zien Zfln godlijke oogen Op al 'tmenschdom neer.

8. 't Is God, aan tijd noch plaats verbonden

Wiens toezicht over alles gaat;

Die 'tharte vormt, en kan doorgronden-

Die aller werken gadeslaat.

Schilden, bogen, dolken,,

Dappere oorlogsvolken.

Wijsheid, moed noch kracht,

Kunnen ooit in 't strijden Eenig vorst bevrijden,

Zonder 's Heeren macht.

8

Sluiten