Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 31, 35.

Veracht het kwaad; jaagt naar den vroê; God ziet de vromen, en hun beè Geeft Hij altoos gehoor.

2. PAUZE.

8. God slaat een gram gezicht Op boozen, die Hem tegenstaan;

Hu doet hun naam met hen vergaan Door 't hoogste strafgericht.

Maar Hij ziet gunstig neer Op hem, die naar Zijn wetten leeft; God is het, die hem uitkomst geeft,

Zijn grooten naam ter eer.

9. God is 't verbroken hart,

't Verbrijzeld en bedrukt gemoed, Ton allen tijd, nabij en goed,

In tegenheid en smart.

Veel wederwaardigheèn,

Veel rampen zijn des vromen lot;

Maar uit die alle redt hem God;

Hij is zijn heil alleen.

10. God zorgt, als 'tleed genaakt,

Dat hij niet gansch terneder stort; Dat hem geen been gebroken wordt:

'tls God, die hem bewaakt.

De snoode boosheid baart Den goddeloozen vloek en dood,

Daar hij, die de onschuld stout verstoot, Zelf schuldig wordt verklaard.

11. De Heek vei'lost en spaart

Zijn volk, dat op Zijn hulp vertrouwt: Het zal, door Hem in gunst beschouwd, Niet schuldig zijn verklaard.

1 = g. PSALM 35.

1 *1 2 3 2 1*7*1• 3*3 2 3*5*

Twist met mijn twis ters, He-mei-heer! Ga mijn be-strij-dren

4 3 2* 3*5 5 6 5 4 3 2*1* 5*

tocli te keer, Wil spies, rond as en schild ge-brui-ken. Óm

6 7 1 32 1 7*1* 1*2*3 * 1 2

hun ge-vreosd ge-weid te fnui ken; Be - let hun de op-tocht;

3 4 5* 1*2*3*1 7 665*5*

treed voor-uit, Zoo vor - den ze in hun loop ge-stuit; Ver-

Sluiten