Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 37.

5. God roeit hen uit, die 'svromen rust verstoren;

Maar die den Heek verwachten met geduld,

Zien 't aardrijk zich ten erfbezit beschoren.

Verbeid den stond, die beider lot vervult, En tracht dan 'tzaad der boozen op te sporen. Waarvan gij plaats noch voetstap vinden zult.

1. PAUZE.

6. 't Zachtmoedig volk zal eens den vollen vrede

Genieten, in de zoetste rust verblijd,

En erven de aard. Hoe ook de booze en wreede

Op de onschuld loer', de tanden kners' van spyt Hoe listig hij op haar zijn aanslag smede,

De Heer belacht het wrokken van dien nijd.

7. Hij ziet zijn dag, den dag zijns oordeels, komen.

Men trekt het zwaard; men spant den boog en mikt Op 'tzuchtend hart der onderdrukte vromen;

Daar 's boozen raad hen wreed ter slachting schikt, In 't stout bestaan, in 't woeden niet te toornen, Voordat hem God verbijstert en verschrikt.

8. Gods wraak ontwaakt, en trekt de trotschen tegen.

Hun eigen zwaard vergiet hun ziedend bloed; Dan breekt hun boog, dan vallen ze op hun wegen;

Dan blijkt op 't klaarst, dat hier het weinig goed Van 'sHeeren volk, rechtvaardigUjk verkregen,

Veel beter is dan 's boozen overvloed.

9. Gods macht verbreekt den arm der goddeloozen,

Terwijl Zijn hand rechtvaardigen geleidt; Al treden ze op geen weg bezaaid met rozen, Zij wachten 't heil, door God hun toegezeid: Hü kent hun tijd: zü zien, in spijt der boozen, Hun erfenis bewaard in eeuwigheid.

10. Geen druk beschaamt hun hoop in bange tijden

Geen hongersnood doet hen verlegen staan:

Gods goedheid zal hen voeden en verblijden;

Maar 'sHeeken toorn de boozen nederslaan. Als 'tmestlam, dat men zag ten offer wijden, Zal, met den rook, het heilloos rot vergaan.

2. PAUZE.

11. De booze neemt, door hebzucht aangedreven,

Met list ter leen, en legt do schuld niet af; De oprechte, vol ontferming, mild in 'tgeven.

Bezit deze aard als 'terf, dat God hem gaf:

Deez' smaakt in rust den zegen en het leven. De vloek vervolgt den andren tot in 't graf.

3*

Sluiten