Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 38.

Sproken, hoe mij 'tbest te krenken, En bedenken Mijn verderf den ganschen dag.

13. Maar ik ben, in de ongelukken,

Die mü drukken,

Als een doove, die niet hoort;

En uit wiens verstomde lippen Niet kan glippen 't Flauwst geluid van eenig woord.

14. Ja, ik bon als een, wiens ooren

Niet meer hooren,

"Wat men zegge, kwaad of goed: Wien de tegenreèn ontbreken,

Om te spreken,

En die daarom zwijgen moet.

15. Want, o trouw en eeuwig Wezen!

In mijn vreezen Staat mijn hoop op U alleen; Gij, mijn God, zult in ellenden Bijstand zenden,

En verhooren mijn gebeén.

16. 'kZei: „laat nooit mijn bitter lijden

„Hen verblijden ..In hun trotse.hen euvelmoed;

..Wijl die boozen juichen zouden, „Als ze aanschouwden ,,'t Wanklen van mijn zwakken voet."

3. PAUZE.

17. Want, o Heer! ik ben aan :t zinken,

En tot hinken leder oogenblik gereed.

'kHeb mijn smart en onvermogen Steeds voor oogen,

Bij 't vooruitzicht van mijn leed.

18. 'k "Wil mijn misdaan, die U tergen,

Niet verbergen;

Ik bedek voor U die niet.

'k Ben vanwegen al mijn zonden,

Die mij wonden,

Vol van kommer en verdriet.

19. Maar mijn vijand zie ik leven,

Hoog verheven,

Machtig, vrij van smart en nood

Sluiten