Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 40, 41.

Uw waarheid doe ik hooren;

Uw heil, den mensch beschoren,

Vloeit daaglflks uit mijn mond; Uw gunst, Uw trouw, Uw woord En godsgeheimen hoort Uw talrijk volk in 'trond.

6 Ge onthoudt, o Heer! dan Uw barmhartigheên Mij nooit, in knellend zielsgevaar;

Dat mij Uw gunst en trouw bewaar,

Daar ik door ramp op ramp m« vind bestreen. Ik voel mvj aangegrepen Door zonden, fel benepon,

Een heir niet te overzien;

Die ik veel minder dan Mijn hoofdhaar tellen kan;

Zij doen mijn krachten vliên.

7. 'tBehago U mü te redden uit den nood;

O Heer! bied vaardig onderstand; En overstort met schaamte en schand Hen, dio mijn ziel vervolgen tot den dood; Laat zo. achterwaarts godroven, Met schande in 'tvluchten sneven,

Wier lust is in mijn kwaad; Verwoesting zij het loon Voor al den schimp en hoon Van hem, die ra« versmaadt.

8. Verheug het volk, verblijd hen allen. Heer,

Die naar U zoeken te olken stond; Leg steeds Uw vrienden in den mond: „Den grooten God zij eeuwig lof en eer!

Schoon 'k arm ben en ellendig,

Denkt God aan mij bestendig:

G;j zijt mijn hulp, myn kracht,

Mijn Redder, o mijn God!

Bestierder van mijn lot!

Vertoef niet, hoor mijn klacht.

I . c< PSALM 41.

6*2 2 i»2*3 2 j»7»6« 4 5 6 6

Wel-za- lig hij, die zich ver-stan-dig draagt Bij een el-len-

5 6 • 2*6*7*6 1 2 3 2* * *2*

digmensch!De Heer zal hoin, wan neer hij treurt en.klaagt,

6 6 5 4*3*2* 2*4 3 2*6*6 6

Be-vrij-den naar zijn wensch; Be-hoe-den en doen le-ven

Sluiten