Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 44.

9. De stem des hooners moet ik hooren ;

Zijn lastertaal klinkt mij in de ooren;

De booze vijand koelt zijn moed,

En dorst wraakgierig naar ons bloed. W;j hebben echter in die smart,

Schoon wü dit alles ondervonden,

U niet vergeten in ons hart,

Noch trouwloos Uw verbond geschonden.

2. PAUZE.

10. Ons hart heeft zich van U in nooden Niet afgekeerd tot valsche goden;

En onze gang week niet van 'tpad, Dat Gü ons voorgeschreven haat: Al hebt Ge ous, in Uw toornegloed, Verpletterd in een plaats der draken,

En ons verdrukt en bang gemoed De doodsvalleien doen genaken.

11. Ja, hadden we, in dien druk gezeten, Den naam van onzen God vergeten,

De handen, in verlegenheid,

Tot vreemde goden uitgebreid, — Zou God, naar Zijn onkreukbaar recht, Die euveldaad niet onderzoeken ?

_ Al wat in 't hart wordt overlegd Kent Hij, tot in de diepste hoeken.

12. Maar wij, om Uwentwil verdreven, Verliezen, al den dag, het leven;

"Wij worden slechts van hen geacht Als schapen, voor het mes gebracht. Waak op, o Heer! waarom toch zoudt Gij slapen, en de smart vergrooten ?

Ontwaak, toon, dat Ge ons nog aanschouwt, En ons niet eeuwig wilt verstooten.

13. Waarom, daar wij Uw bijstand vergen, Zoudt Gij Uw aangezicht verbergen ?

Waarom vergeten onze ellend En onderdrukking zonder end?

Want onze ziel, die nauwlijks leeft, Is treurig in het stof gebogen ;

Daar onze buik aan de aarde kleeft, Bezwijken wij in onvermogen.

14. Sta op, o God! toon medelijden,

"■Laat ons Uw arm van nood bevrijden;

Verlos ons uit den angst, o Heer ! Zoo krijgt Uw goedheid eeuwig de eer. .

Sluiten