Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 55, 56.

9. Dat hen de dood als schuldheer veile, En levend storte in 't diepst der helle; Want boosheid huisvest in de harten

En tonten van dit booze rot;

Maar ik zal roepen tot mijn God,

Die mij zal redden uit mjjn smarten.

10.'kZal 'savonds klagen, zuchten, stenen;

'k Zal 's morgens kermen, 's middags weenen, En God zal op mijn bede merken.

Die God, die my van dezen strijd In vree door Zijnen arm bevrijdt, Hoevelen ook mijn val bewerken.

11. God zal mij hooren, en hen plagen, Die God, die reeds van oude dagen Als rechter zat, om 'tkwaad te weren:

Dewijl dit volk, der tucht ontwend, In 'tminste geen verandring kent, En God noch vreezen wil, noch eeren.

12. Hij slaat zijn handen aan zijn vrinden, Geen vreêgenootschap kan hem binden; IIU schendt verbonden, speelt met eeden;

Hij vleit, en gladder is zijn mond Dan boter; maar zijns harten grond Is vol van krijg en bitterheden.

13. Zoo zacht als olie is zijn spreken;

Maar spies noch zwaard kan scherper steken. Mvjn ziel! God zal u onderhouden;

Werp uwe zorgen op den Heer:

Zijn trouwe gunst duldt nimmermeer, Dat, die Hem vreezen, wanklen zouden.

14.Gy, Heer! Gij zet den boozen palen, En zult hen doen ten afgrond dalen. Wie op bedrog zijn hoop wil bouwen,

En dorst naar bloed, dien kort Uw straf De helft van zijne dagen af;

Maar ik, ik zal op U vertrouwen.

1 = g. PSALM 56.

1*6 5 1*1*2 3 4*3*2*1*2 2

Ge- na, 'o God! be-scherm mij door Uw hand! Zie, hoe ik

3*5*5 4 2*4*3* 2*32 7*7*

ben om ■ ringd aan al • len kant, Zie, hoe de mênsch 'zijn

Sluiten