Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM Gl.

3. Bescherm mij tegen 't wreed vermogen,

Van hen, wier tong is als een zwaard, Wier taal, met bitterheid gepaard, Tot pijlen dient op hunne bogen,

Om te oorelogen.

4. Zjj leggen lagen voor de vromen,

Verschuilen zich voor hun gezicht, En treffen straks hen met hun schicht, Waardoor zij wreed hen om doen komen, En niemand schromen.

5. 'tls 't kwaad, waarin ze elkander sterken,

Dat hun tot samenspraak verstrekt; Hun strikken houden zij bedekt; Zij zeggen van hun booze werken: „Wie zal die merken?"

PAUZE.

6. Hun drift, aan snood bedrog verbonden,

Spitst daaglijks zich op listigheên. Hun hart, hun binnenst peinst alleen Op valsche en eerelooze vonden,

Om elk te wonden.

7. Maar God, aanschouwende al hun lagen,

Die bloot zijn voor Zijn aangezicht, Zal ijlings met een scherpen schicht Hen treffen, en, door zware plagen, Hen straf doen dragen.

8. Hun tong, die andren durfde onteeren,

En ware vromen trotsch versma&n. Zal zelf met schande hen belaan :

Ja, elk zal hun den rug toekeeren,

En hen verneêren.

9. Dan zullen alle menschen vreezen;

Het werk verheffen van den Heer;

Zijn lof verbreiden en Zijn eer,

En op zijn daan, alom geprezen,

Oplettend wezen.

10. 't Rechtvaardig volk zal zich verblijden.

Betrouwend op den Heer alleen; De oprechten zullen, weltevreèn,

Terwijl zij Hem hun harten wijden,

Zijn naam bedden.

Sluiten