Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 65.

1 = g. PSALM 65.

3*3 3 6*3*4 3 2*1* 2*3 2 1*7*

De lof-zang klimt uit Si-onsza-len tot U, met stil <5nt-

6* 3*3 3 6*3*4 3 2*1* 2*3 2 1*

zag, tiaar zal men Ü, o God! be - ta - len Ge - lof - ten, dag

7*6*|6*1 17 7 12 3*2*3*4

b(j dag. G'ü hoort hen, die Uw heil ver-wach-ten, O Hoor-

322 1*3*2 175671*7*1*

der der ge-beên! Dies zul - len a'l - le'r - le'i ge-slach-t'en Oot-

2 1 7 7 6*

moe-dig tót Ü tre'ên.

2. Een stroom van ongerechtigheden

Had de overhand op mi);

Maar ons weêrspannig overtreden

Verzoent en zuivert G(j.

Welzalig, dien Gy hebt verkoren,

Dien Ge uit al 'taardsch gedruisch Doet naadren en Uw heilstem hooren,

Ja, wonen irx Uw huis.

3. Daar zal ons 't goede van Uw woning

Verzaden, reis op reis,

Eu 'theilig deel, o groote Koning!

Van Uw geducht paleis.

G«, Gy zult vreeseiyke dingen

Ons in gerechtigheid Doen hooren, en ons bl ij doen zingen Van 'theil, voor ons bereid.

4. O onze God! o vast vertrouwen

Van 't allerverste land,

Op wien al 's aardryks einden bouwen,

En 't wüdstgelegen strand!

Gy ! die de liemelhooge bergen

Doet pal staan door Uw kracht,

Zoodat zjj vloed en stormen tergen,

Gy zyt omgord met macht.

5. 't Gebruis der zee doet Gy bedaren,

Daar Gy haar golven stilt:

't Bumoer der volken, als der baren,

Betoomt Gy, waar Gy wilt.

Die de einden dezer aard bewonen,

Sluiten