Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 68.

O Israëls Ontfermer!

Do Heer gaf rijke juichensstof,

Om Zijne wondren en Zijn lof',

Met hart en mond, te melden;

Men zag welhaast een groote schaar, Met klanken van de blijdste maar, Vervullen berg en velden.

G. Do koningen, hoe zeer geducht,

Zijn met hun heiren weggevlucht,

Zij vlodon voor Uw oogen.

De buit van 't overwonnen land Viel zelfs do vrouwon in de hand,

Schoon niet meê uitgetogen.

Al laagt ge, o Isrel, als weleer,

Gebukt bij tichelst.oenen neêr,

_ Toen gij uw .iuk moest dragen En zwart waart door uw dienstbaarheid, U is een beter lot bereid,

Uw heilzon is aan 't dagen,

7. Gelijk een duif door 't zilverwit

En 't goud, dat op haar veedren zit,

Bü 't licht der zonnestralen.

Ver boven alle vooglen pronkt,

Zult gij, door 'tgodlijk oog belonkt.,

"Weër met uw schoonheid pralen. "Wanneer Gods onweêrstaanbre hand De vorsten uit het gansche land

Verstrooid had en verdreven,

Ontving Zijn erfdeel eedier schoon Dan sneeuw, hoe wit zij zich vertoon', Aan Salmon ooit kon geven.

2. PAUZE.

8. Dat Basans homelliooge berg Mot al zijn heuvlen Sion terg',

En wane te overtreffen;

"Wat springt gij, bergen trotsch omhoog? Wat wilt ge u in der volkren oog,

Bij Sions berg verheffen?

God zelf heeft dezen berg begeerd Ter woning, om, aldaar geëerd,

Zijn heerlijkheid te toonen;

De Heek, die hem verkozen heeft, Die trouwe houdt, en eeuwig leeft, Zal hier ook eeuwig wonen.

9. Gods wagons, boven 't luchtig zwerk,

Zijn tien- en tienmaal duizond sterk,

Verdubbeld in getalen:

Bij hen is Zijne majesteit

.

Sluiten