Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 68.

Een Sinaï in heiligheid,

Omringd door bliksemstralen.

Gij voert ten hemel op, vol eer;

De kerker werd Uw buit, o Heek !

Gij zaagt Uw strijd bekronen Met gaven, tot der menschen troost;

Opdat zelfs 't wederhoorig kroost Altijd bij U zou wonen.

10. Geloofd zij God met diepst ontzag! Hij overlaadt ons, dag aan dag,

Met Zijne gunstbewijzen.

Die God is onze zaligheid!

Wio zou die hoogste majesteit

Dan niet met eerbied prijzen ?

Die God is ons een God van heil; Hij schenkt, uit goedheid zonder poil,

Ons 't eeuwig zalig leven ;

Hij kan, en wil, en zal in nood,

Zelfs bij het naadren van den dood, Volkomen uitkomst geven.

3. PAUZE.

11. Gewis, hoe hoog de nood mag gaan,

God zal Zijns vijands kop verslaan,

Dien haargen schedel yellen,

Die trotsch, wat heilig is, onteert,

En, daar hij schuld met schuld vermeert,

Zich tegen Hem durft stellen.

De Heer heeft zelf ons toegezeid:

,,'k Zal u, door macht en wijs beleid,

„Uit Basan weer doen komen;

„U zullen, als op Mozes beè,

„Wanneer uw pad loopt door de zee „Geen golven overstroomen.

12. „Dan moogt ge in zegepraal uw voet „Ja uwer honden tong, in 't bloed

„Van eiken vijand steken."

O groote God! geduchte Heer!

Uw gangen, zoo vol roem, vol eer,

Zijn aan Uw volk gebleken;

De gangen van mijn God en Vorst,

Wien, schoon Hij 's werelds rijkskroon orst,

Deez' woningen behaagden.

De zangrei trad den spoelrei voor, In 't midden ging het vroolijk koor Der trommelende maagden.

13. Looft God in Ziin gemeente alom,

Den Heer, gij, die in 't heiligdom,

Als Isrels kroost, moogt naadren.

Sluiten