Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 68.

Hoe vroolijk gaan de stammen op Naar Sions godgewijden top,

Met Isrels achtbre vaadren! De vorsten van elk huisgezin, Zij trekken aan: hier Benjamin,

Schoon klein, hij mocht regeeren; Daar Juda's stam, die glorie won; Ginds Naftali en Zebulon,

Om God, hun Koning, teeeren.

1. PAUZE.

14. Uw God, o Isrel! heeft de kracht Door Zijn bevel u toegebracht,

O God! schraag dat vermogen; Versterk hetgeen Gij hebt gewrocht, En laat Uw hulp, door ons verzocht,

Uw volk voortaan verlioogen. Dan passen, Uwen naam ter eer, Om Uwen tempels wil, o Heer!

Do vorsten op Uw wenken; Zij zullen U, van allen kant,

Zelfs uit het allerverste land,

Vereeren met geschenken.

15. Scheld met Uw stem het wild gediert, Dat in het riet zoo weeldrig tiert,

De stier- en kalvertenden;

Het volk, dat stukken zilvers geeft, En dus zich onderworpen heeft,

Men loert op onze ellenden.

Gewis! wij zien hen reeds berooid, En 't oorlogzuchtig volk verstrooid ;

Gezanten zullen naadren;

Egypto zal, met Moorenland,

Tot God verheffen hart en hand, Den God van onze vaadren.

16. Gü koninkrijken, zingt Gods lof;

Heft psalmen op naar 't hemelhof,

Van ouds Zijn troon en woning; Daar Hij, bekleed met eer en macht, Zijn sterke stem verheft met kracht,

En heerscht als Sions Koning.

Geeft sterkte aan onzen God en Heer, Hij heeft in Israël Zijn eer

En hoogheid willen toonen.

Erkent dien God; Hij is geducht: Hij doet Zijn sterkte boven lucht En boven wolken wonen!

17. Hoe groot, hoe vreeslijk z(jt Ge alom, Uit Uw verheven heiligdom,

Sluiten