Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 74.

Niet één profeet is ons tot troost gebleven;

Geen stervling weet, hoe lang dit duren zal.

10.Hoe lang, o God! zal in dit zwaar verdriet De vijand ons zijn wreede trotschheid toonen?

Zal hij Uw naam in eeuwigheid dan hoonen?

Neen, 'tkan niet zijn, dat duldt Uw glorie niet.

11. Ach! waarom trekt Ge Uw hand dus van ons af, Uw rechterhand, die ons ten steun kan strekken? Ai! wil haar eens uit Uwen boezem trekken;

En maak een eind aan Uw gestrenge straf.

12.G(j evenwel, Gij blijft dezelfde, o Heer!

Gij zijt van ouds mijn toeverlaat, mijn Koning, Die uitkomst gaaft, en uit Uw hemelwoning Voor ieders oog Uw haatren gingt te keer.

13. Gij spleet weleer de Schelfzee door Uw kracht. Gij hebt den kop der woeste en felle draken, Het vreeslijk heir, dat Isrel dorst genaken,

In 't hart der zee, verbroken door Uw macht.

14. Uw sterke hand heeft 's Leviathans woèn Betoomd, gestuit, deed Faraö bezwijken,

Daar 't woest gedierte aan duizenden van lijken, Op 't dorre strand, zijn rooflust mocht voldoen.

15. Hoe menigmaal hebt Go ons Uw gunst betoogd,

'tZij Ge een fontein deedt uit een rots ontspringen; Of op een hoop de waatren samendringen,

Wanneer de stroom door U werd uitgedroogd.

16. De dag is do Uwo, ook vormdet Gij den nacht. Gij schiept het licht, de zon met gloed en stralen; Door U is de aard gesteld in juiste palen;

Elk jaarseizoen hebt Gij tot stand gebracht.

2. PAUZE.

17. Herdenk, mijn God, herdenk die wondordaan Een dwaas geslacht heeft Uwen naam gelasterd; De vijand, van Uw vreeze en dienst verbasterd,

Heeft Uwen roem met smaad en schimp belaan.

18. Geef 't « ild gediert, dat niets in 't woèn ontziet, De ziele van Uw tortelduif niet over;

Laat, groote God! om een gehaten roover, Uw kwijnend volk niet eeuwig in 't verdriet.

6

Sluiten