Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

P S A L M 75, 76.

God is rechter, dio 'tbeslist;

Die, als aller Oppervoogd,

Deez' vernedert, dien verhoogt.

5. Want des Heerex hand besluit Eenen kelk vol bitterheid,

In Zijn gramschap toebereid,

En H;i drenkt er 'tmenschdom uit; Doch der goddeloozen mond Zuigt zijn hef uit tot den grond.

6. 'k Zal dit melden, 'k zal altijd Zingen Jakobs God ter eer,

Slaan der boozen hoornen neêr, Vellen wat Zfln naam bestrijdt; Maar der vromen hoorn en macht Zal verhoogd zijn door Gods kracht.

1 = c. PSALM 70.

5.4*3*2 234 5*1*16 1*7*

God is be-kend bij Ju-da's stam, baar Hij Zijn hoo- gen

6 6 5* 5*3*4*5 5 6*i*7* 5*1 7

ze-tel nam; Zyn naam is groot in Is--ra--61; In Sa-lem

i 2 1*7*1* i *7*6*5 6 5 4 3*2*

staat, op Zijn be - vel, De hut- • te van dien He- mel-ko- uilig;

5*8*7*1 7 6 5 4*5*

Op Si--on is Zijn heil-ge wo-ning.

2. Daar heeft de vijand boog en schild En vuurge pijlen op verspild;

God brak het zwaard, bedwong den kr«g. Dat vrij het roofgebergte zwijg'

Uw roem, o groot en heerlijk Wezen!

Is tot veel hooger top gerezen.

3. Stouthartigen'zjjn daar beroofd;

Daar sliep én heir èn opperhoofd;

De kloekste had geen handen moer,

Maar viel in 'tstof verslagen neêr.

O God van Jakob! door Uw schelden Vergingen paarden, wagens, holden.

4. G;j! vreeslijk zijt Gij in 'tgericht;

Wie zal bestaan voor Uw gezicht?

Zoo ras Uw mond het vonnis streek,

Sluiten