Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 77.

3. Slaap weêrhieldt Gij van mijn oogen; 'k AVas verslagen, neergebogen,

En, verstomd door al 't verdriet,

Wars van menschen, sprak ik niet. 'k Overdacht al de oude dagen,

Jaren, eeuwen, gunsten, plagen,

En wat immer aan mün ziel Van Gods hand te beurte viel.

4. 'k Dacht, hoe 'k God met vreugd voor dezen Op mün snaren had geprezen;

'k Overleide in diepe smart 's Nachts met een mistroostig hart, En mijn geest doorzocht de reden, Waarom God die tegenheden Mü in zulk een mate zond,

En wat mij te duchten stond.

5. Zou de Heer Zijn gunstgenooten,

Dacht ik, dan altoos verstooten?

Niet goedgunstig zijn voortaan ? Nimmer ons meer gadeslaan?

Zouden Zyn beloftenissen Verder haar vervulling missen, Vruchtloos worden afgewacht, Van geslachte tot geslacht?

PAUZE.

6. Zou God Zijn gena vergeten?

Nooit meer van ontferming weten?

Heeft Hy Zyn barmhartigheên Door Zijn gramschap afgesneên?

'k Zei daarna: „dit krenkt my 't leven; „Maar God zal verandring geven; „De Allerhoogste maakt het goed; „Na het zure geeft Hy 'tzoet."

7. 'k Zal gedenkon, hoe voordezen Ons de Heer heeft gunst bewezen

'kZal de wondren gadeslaan,

Die Gij hebt van ouds gedaan;

'kZal nauwkeurig op Uw werken En derzelver uitkomst merken;

En, in plaats van bittre klacht, Daarvan spreken dag en nacht.

8. Heilig zyn, o God! Uw wegen;

Niemand spreke Uw hoogheid tegen!

Wie, wie is een God als Gy,

Groot van macht en heerschappij ? Ja, Gy zyt die God, die de ooren

Sluiten