Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 91.

U met Zijn vleuglen dekken;

Zijn waarheid u ten beukelaar En ter rondas verstrekken.

3. De schrik des nachts doet u niet vliên,

Waarvoor de boozen beven;

Geen pijlen hoeft gij 's daags te ontzien,

Die hevig om u zweven.

De pest, met welk een snellen spoed

Zij moge in 'tduistre waren,

Noch 't streng verderf, dat's middags woedt, Zal uwe ziel vervaren.

4. Gij zult, aan de een en de andre hand,

Tienduizenden zien vallen,

Terwijl gij, in gerusten stand,

Bewaakt blijft boven allen.

Het dreigend leed vliegt u voorbij,

Alleenlijk zien uw oogen,

Hoe sehriklijk 't loon der boozen zü,

Die de Almacht niet verhoogen.

PAUZE.

5.Ik steun op God, mijn Toeverlaat!

Dies heb ik niets te vreezen.

Wie God vertrouwt, dion deert geen kwaad;

Uw tent zal veilig wezen.

Hij zal Zijn Engelen gebiên,

Dat ze u op weg bevrijden;

Gij zult hen in gevaren zien Voor uw behoudnis strijden.

6. Zij zullen u, Gods gunstgenoot,

Naar 'sHoogsten welbehagen,

Opdat gij aan geen steen u stoot,

Op hunne handen dragen.

Gij zult op jonge leeuwen treên,

Op giftige adders stappen;

En, door gevaar noch vrees bestreên, Den leeuw en draak vertrappen.

7. „Dewijl zün ziel Mij teer bemint

(Dus laat God zelf zich hooren),

„Heb Ik voor hem, als voor Mijn vrind,

„Een heilrijk lot beschoren;

„Omdat hij Mijnen naam erkent,

„Zal hem Mijn gunst verzeilen;

„Ik zal hem redden uit de ellend,

„En op een hoogte stellen.

8. „Hij zal, in allo ramp en,pijn,

„Tot Mij om uitkomst zuchten,

Sluiten