Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 92, 03.

PAUZE.

5. Wie U durft wederstreven,

"Wie onrecht durft begaan, Zult Gij, o God! weerstaan, Verstrooien en doen sneven. Gij zult mijn eer vergrooten, Mij sterken in mijn stand; Ik ben door Uwe hand Met olie overgoten.

6. Mijn oog zal hen aanschouwen,

Die listig al mijn pain In 't heiral ijk gadeslaan, M;j telkens onrust brouwen. Ook zal mijn oor eens hooren, Dat Gij de boozen straft, Dat Gij my wraak verschaft Van hen, die mij verstoren.

7. 't Rechtvaardig volk zal bloeien,

Geljjk op Libanon,

Bij 't koestren van de zon, De palm en ceder groeien. Zij, die in 't huis des Heeken, In 't voorhof zijn geplant,

Zien door des Hoogsten hand Hun wasdom steeds vermeêren.

8. In hunne grijze dagen

Blijft hunne vreugd gewis: Zij zullen, groen en frisch, Gewenschte vruchten dragen, Om met verheugde monden, Te roemen 't recht mijns Gods. In Hem, mijn vaste rots, Is 'tonrecht nooit gevonden.

1 = C. PSALM 93.

5 • 3 • 4 • 5 5 6 1 17 i • i • 6 • l' •

De Heek re--geert; de hoog-ste Ma - je-steit, Be-kleed met

7 5 6 7 i • 6 • 5 • 3*4 5 6*5*

sterk-te, om-gord met heer- ]jjk- hoid, Be-ves-tigt de aar-de en

4 233 2*5*5 5 6 • i • 1* 7 1*

houdt door zy-ne hand Dat schoon ge-bouw on-wan-kel-baar

6*5*

in stand.

Sluiten