Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 99.

1 = g. PSALM 99.

1*5*6 7 1* 3 3 4 2 1 • 5*5*

God, de Heer, re-geert! Beeft, gij vol-ken, eert, Eert Zijn

3 4 5*3 5 4 4 3* 5*4 * 3 2 1*

hoog be-stel, Die bjj Is--ra--ël Tus-schen Che-rubs woont,

6 7 1 6 5*5*1*2 34*3*1

En Zyn groot-he'id toont; Dat zich de aard be-we - -ge; Hij

2 3 4 2*1 *

is Is-reis ze--ge!

2. God, die helpt in nood,

Is in Sion groot;

Aller volken macht Niets bü Hem geacht;

Buigt u dan in 'tstof,

En verheft met lof

't Heilig Opperwezen;

"Wilt het eeuwig vreezen.

3. Looft met hart en stem,

Looft de kracht van Hem,

Die het recht bemint

In Zijn rijksbewind.

't Recht hebt Gü gestaafd:

't Geen Ge aan Jakob gaaft,

Toonde aan Isrels leden Recht en billijkheden.

4. Roemt nu onzen God;

Knielt, op Zijn gebod,

Voor Zijn voetbank neêr.

Heilig is de Heer

Op Z;jn hoogen troon.

Amrams groote zoon En zijn broeder waren Bij Zijn priesterscharen.

PAUZE.

5. Ook was Samuël,

Op Gods hoog bevel,

Biddend voor Zijn volk,

Als een hemeltolk;

Hij en andren meer Riepen tot den Heer,

Die, met gunstige ooren,

Hun geroep wou hooren.

Sluiten