Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 102.

Heer, Uw gunst had mvj verheven; Maar r.u mij Uw toorn doet beven, Zie ik m;j van glans ontblooten,

My in 't stof terneêrgestooten.

6. 'k Zie in rouw en ongenuchten Al mijn dagen mü ontvluchten.

Als een schaduw, die vei'dwijnt; Ik verdor als 't gras, dat kwijnt.

Maar Gü, Heer ! zult eeuwig blijven; Eeuwig zal Uw roem beklijven;

En Uw naam blijft in gedachten Tot de laatste nageslachten.

7. Gij zult opstaan, ons beschermen,

Over Sion U ontfermen;

Want de tijd, Uw stad voorspeld, Aan haar leed ten perk gesteld, Die zoolang gewenschte dagen Van Uw gunstrijk welbehagen ZJjn, o God! in 't eind geboren;

Gy, Gü zult haar klacht verhooren!

8. Reeds verlangen Uwe knechten Hare steenen op te rechten :

Elk heeft deernis met haar gruis; Elk toont ijver voor Gods huis. Albestierend Opperwezen,

Dan zal 't heidendom U vreezen;

Al de vorsten, neergebogen,

Doen dan hulde aan Uw vermogen.

9. Als, voor 't oog der nageburen,

Gods ontferming Sions muren

AVeèr zal hebben opgebouwd, Eu 't Zijn heerlijkheid aanschouwt; Als Zijn goedheid op de klachten Des verdrukten en verachton letten zal, en 't onheil weren,

Dan zal elk Hem juichend eeren.

2. PAUZE.

10. Dan. dan wordt Gods trouw verheven, En Ziin dierbre gunst beschreven

Voor het dankbaar nageslacht, Dat met lust Zijn wet betracht, 't Volk, in later eeuw geboren,

Zal Zijn n acht en goedheid hooren; Zich in Zijnen roem verblijden, Hem Zijn lofgezangen wijden.

Sluiten