Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 103, 104.

Zoo ver liet west verwijderd is van 't oosten, Zoo ver heeft Hij, om onze ziel te troosten.

Van ons de schuld en zonden weggedaan.

PAUZE.

7. Geen vader sloeg met grootor mededoogen Op teeder kroost ooit zijn ontfermende oogen,

Dan Is re ls Heer op ieder die Hem vreest., Hij weet, wat van Zijn maaksel zij te wachten, Hoe zwak van moed, hoe klein w;j zijn van krachten,

En dat wij stof, van jongs af, zijn geweest.

8. Gelijk het gras is ons kortstondig leven,

Gelijk een bloem, die, op het veld verheven,

Wel sierlijk pronkt, maar krachtloos is en teêr; Wanneer de wind zich over 't land laat hooren, Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren,

Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.

9. Maar 's Heer en gunst zal, over die Hem vreezen, In eeuwigheid altoos dezelfde wezen;

Zijn trouw rust zelfs op 't, late nageslacht. Dat Zijn verbond niet trouweloos wil schenden, Noch van Zijn wet afkeerig de ooren wenden,

Maar die naar eisch van Gods verbond betracht.

10. De Heek heeft zich, als de allerhoogste Koning, Een troon gevest in Zijne hemelwoning;

Zijn koninkrijk lieerscht over 't wereldrond.

Looft, looft don Heek, gij Zijne legermachten, Gij Englen, die Hem dient met heldenkrachten,

En vaardig past op 't woord van Zijnen mond.

11. Looft, loof't den Heer, gij Zijne legerscharen,

Wier lust het is op Zijnen wenk te staren.

Dat hemel, aarde en zee, en berg, en dal,

Hoe ver men ook Zijn schepter ziet regeeren, Nu Zijnen naam en groot,e deugden eeren!

En gij, m(jn ziel, loof gij Hem bovenal.

1 = C. PSALM 101,

2 • 2*4* 2 • 1 • 4 4 5 5 6* 6 • 1* • 1* •

Waak op, mijn ziel, loof de Op-per-ma -jo-steit. Wat zijt Gij

2 • 2 • i 6 i • 7• 6• 2*6 6 5*1 •

groot! wat spreidt Uw heer-lijk - heid, Ge-duch-te God, al

7 6 5*6*4*3*2*4*6*5*6*5 4 3

iuls-ter-rij - - ke stra-leu! Zij baart ont-zag door al de he-

8

Sluiten