Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 104.

vl^?'!g?te"1(i' zicl1 kreunt aan .)"k nocli koorden, Vindt lafenis aan hare frissche boorden.

t Gevogelte, dat in zijn snelle vlucht De vlerken klapt, en opstijgt naar de lucht,

Ut uit het loof z«n schelle stem laat liooren,

tteeit aan haar zoom zvjn woningen verkoren.

wiens hand de bergen water schenkt. Den drogen grond uit Zijnen hemel drenkt: Den regen geeft uit Zijne hooge zalen, ün vruchtbaarheid doet zweven in de dalen. Dan schiet voor 'tvee de teedre grasscheut uit: lot smenschen dienst ontluikt dan 't geurig kruid • Dan spruit het brood, nog in den halm besloten, ' uit de aarde voort, door milden dauw begoten.

8. God geeft den wijn, tot vreugd voor 'tliart bereid, WrT?..?-e,?M?V e §en glans °p 'taanschijn spreidt, wi tlieflyk brood, dat onze kracht moet voeden-

>4tW on9 dus verkwikken en behoeden.

tls God alleen, die door Zijn sterke hand Den Libanon met cederen beplant,

't Geboomte voedt, en kracht schenkt, onder 't kweeken Aan 't lommrig woud, aan schaduwrijke streken. '

9. Het vogeltje vindt schuilplaats in hun loof, En vormt zijn nestje uit zijn vergaarden roof.

De dennen zijn, daar ze opgaan als pilaren,

Het steil verblijf der kleppende ooievaren.

De steenbok springt en klautert, van den top Des heuvels, tot den kruin der bergen op.

De hooge rots houdt, in verborgen holen,

Het schuw konijn voor ons gezicht verscholen.

2. PAUZE.

10. De gouden zon weet, waar zij schuil moet gaan. De wisseling der wisselende maan,

Aan tijd en loop op 't wonderbaarst verbonden, Verschijnt ons oog op haar bepaalde stonden.

Gij, Heer, beschikt door Uw geduchte macht De duisternis, en 't wordt op aarde nacht,

Wanneer 't gediert door woud en veld mag dwalen. Om voedsel voor het hongrig nest te halen.

11. Het donker bosch weergalmt op 't heesch gescheeuw Van leeuwenwelp en fleren jongen leeuw,

Die, heet op roof, in afgelegen' hoeken,

Al brullend, spijs van God, den gever, zookon;

Maar op de komst van licht on dageraad,

Op 't zien der zon in 't luisterrijk gewaad,

Keert elk van hen naar zijn verborgen kuilen.

Daar zij, verzaad, zich voor ons oog verschuilen.

Sluiten