Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 105, 106.

20. God deed Zijn volk met wisse treden,

Daar niemand struikelde in zijn schreden,

Met zilver en met goud belaan,

Blijmoedig uit Egypte gaan.

, Toen .juichte om hun vertrek al 't land, ' Daar 't al door schrik was overmand.

5. PAUZE.

21. God breidde een wolk uit, om Zijn scharen Bij dag te hoeden voor gevaren;

Hjj gaf hun door Zijn hoog bestuur Des nachts ten licht een wondervuur; Zij baden, en hun Opperheer Zond straks een heir van kwakklen neêr.

22.Z;j werden daagUjks begenadigd;

Met manna, hemelsch brood, verzadigd. Gods hand bracht, in dien dorren oord, Rivieren uit een steenrots voort; Hij dacht om 't geen Hij aan Zijn knecht Aan Abraham, had toegezegd.

23. Dus toog 't verkoren volk des Heeren Al juichend uit, op Gods begeeren;

Het land der heidnen van rondom Schonk Hi) hun tot een eigendom; Der volken arbeid werd geheel Aan Israël ten erflijk deel.

24. Die gunst heeft God Zijn volk bewezen, Opdat het altoos Hem zou vreezen,

Zijn wet betrachten en voortaan Volstandig op Zijn wegen gaan.

Men roem' dan de Oppermajesteit, Om zooveel gunst, in eeuwigheid.

1 = d. * PSALM 106.

1 • 7 • 6 • 1 7 66 5* 5*6 1 7

Looft God, don trou-wen Op-per-heer! Geeft, geef;. Hom vroo

5 1 • 7 • 6 • 6 • 1 7 6 • 5 • 4 3 2«

lijk roem en eer, Wiens goed-heid per--ken kent noch pa

1*1*3 4 5*3*4 4 3* 3*5 6 7 *

len. Maar wie, hoe hoog-ver-licht hij zij, Wie kan Zijnmo-

5*1 7 6*5*5*1 1 6 5 i*7*6*

gend-heên ver-ha--len, Z(jn lof ver-brei- den naar waar-dij ?

Sluiten