Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 106.

Zy hebben zich voor 't vloekaltaar,

Verleid door Moabs dochtrenschaar, Tot Baiil-Peors dienst begeven;

Zy aten 'safgods offerand;

Doch 'tkostte aan duizenden hot loven; Gods wraak ontstak in feilen brand.

17. Toen weerde Pinehas de straf,

Die moedig 'treclit voldoening gaf, En 't eerloos bloed langs de aard deed stroomen.

Die daad, ten zoen voor 'tvolk volbracht, Dood hom een eeuwige eor bekomen, Die stand hiold by zijn nageslacht.

18. Zij tergdon, twistend, Gods gena Bij 't wonderwater Moriba,

Verbitterden den knocltt des Heoren;

Hij sprak in onbedachtzaamheid,

Dies moest hy 't vruchtbaar land ontberen, Den ganschen volke toegozeid.

5. PAUZE.

19. Zij spaarden volken, tot Gods hoon, Die Hy bevolen had te doön;

En, aan der heidnen stam verbonden,

Vervielen zy tot afgodsdienst, En wrochten, door gelijke zonden,

Zichzelf een strik op 't onvoorzienst.

20. Men zag hen zelfs, door drift verblind, Hun dierbaar kroost, hoe teèr bemind,

Den duivelen ten offer brengen;

Men zag hen, trouwloos en verwoed, Op Kanans vloekaltaren plengen Der kindoren onschuldig bloed.

21. Die onnatuurlijke offerand,

Die bloedschuld bracht een smet op 't land, Zij worden onrein door hun daden,

_ Door hoererij en vuil gedrag;

Zij durfden Isrels God versmaden,

Maar beelden toonden zg ontzag.

22. Dit alles spoorde God tot wraak;

Zyn volk, Z()n erf, Zijn hoogst vermaak, AVerd nu een gruwel in Zg'n oogen;

Hy gaf hen in der heidnen macht, ■Waardoor zy zonder medodoogen, In slaafsche keetnen zjjn gebracht.

6. PAUZE.

Sluiten