Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 119.

22. Ai! ruk het woord der waarheid niet te zeer Van mijnen mond; ik hoop op Uwe rechten,

Waarin gij trouw gezorgd hebt voor Uw eer; Dan houd ik steeds, o God! met al Uw knechten

Uw heiige wet; dan zal ik meer en meer Daar eeuwig en altoos het hart aan hechten.

23. Dan wandel ik vol moed op ruimer baan,

Omdat mijn ziel gezocht heeft Uw bevelen;

Dan doe ik zelfs aan koningen verstaan,

Hoezeer mij Uw getuigenissen streelen;

Dan zal ik mij niet schamen, noch Uw da&n Uit slaafsch ontzag of dwaze vrees verhelen.

24. 'k Zal Uw geboön, die ik oprecht bemin,

Mijn hoogst vermaak, mijn zielsgenoegen achten;

Ik reken die mijn allergrootst gewin;

Ik grijp er naar, en zal er heil uit wachten;

Ik heb ze lief, en zal met hart en zin Al 'tgeen Gij ooit hebt ingezet betrachten.

6. PAUZE.

25. Gedenk aan 't woord, gesproken tot Uw knecht, Waarop Gij mi) verwachting hebt gegeven;

Dit is myn troost, in druk m;j toegelegd; Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven;

Al 'tgeen Uw mond aan my had toegezegd Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.

26. 't Hoovaardig volk heeft mij op 't felst bespot; 'k Ben echter niet van Uwe wet geweken;

Ik dacht, o Heer! aan hun ramgzalig lot En Uw gericht, van ouds af reeds gebleken;

Hoe kort van duur is al het aardsch genot! 'k Heb mij getroost, mijn ziel is niet bezweken.

27. Daar ik moet zien, hoe snoodaards Uwe wet Verlaten, heeft beroering mij bevangen;

Maar van het recht, dat Gij hebt ingezet.

Heb ik gemaakt mijn blijde lofgezangen;

In vreemdlingschap heeft niets die vreugd belet, Wat nijpend leed daar mijn gemoed mocht prangen.

28. 'kHeb, Heer, des nachts aan Uwen naam gedacht, Uw wet bewaard, Uw deugden niet vergeten.

Dat heil, dien troost hebt Gvj mij toegebracht, En zooveel tijds heb ik met vreugd gesleten,

Omdat ik Uw bevelen nam in acht,

En die bewaarde in een oprecht geweten.

7. PAUZE.

Sluiten