Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 119.

29. De Heer is mijn genoegzaam deel, mijn goed; Ik heb gezegd: ik zal Uw woord bewaren.

' 'k Heb U gebeèn met mijn geheel gemoed, Dat zich Uw heil aan mij mocht openbaren.

Wees naar Uw woord genadig; ai! behoed, Behoed Uw knecht, en red hem uit gevaren.

30. Ik heb bedaard mijn wegen nagegaan,

Mijn voet gekeerd tot Uw getuigenissen,

En mij gehaast die paden in te slaan,

Waarin mijn ziel zich nimmer kan vergissen;

'k Heb niet vertraagd, om op die effen baan Het doel van Uw geboden niet te missen.

81. Een godloos rot heeft mij ten roof gesteld; Nochtans heb ik Uw wetten niet vergeten;

Te middernacht heb ik Uw lof vermeld;

Dan sta ik op, om met een blij geweten

Het recht, dat Uw gerechtigheid verzelt, Tot Uwen roem ten breedsten uit te moten.

32. Ik ben een vriend, ik ben een metgezol Van allen, die Uw naam ootmoedig vreozen,

En leven naar Uw goddelijk bevel.

O Heer! hoe wordt Uw goedheid ooit volprezen?

Gij doet op aard aan alle schepslen wel. Och! wierd ik in Uw wetten onderwezen.

8. PAUZE.

33. Gij hebt veel goeds by Uwen knecht gedaan; Hem, naar Uw woord, gered uit al zijn nooden; ^ Leer mij, o Heer ! een goeden zin verstaan

En wetenschap, der dwazen waan ontvloden;

Wijs Gij mij zelf den weg der waarheid aan, Naardien ik heb geloofd aan Uw geboden.

34. 'k Sloeg, eer ik werd verdrukt, het dwaalspoor in; Maar nu, geleerd, houd ik Uw woord en wegen,

Wat zijt Gij goed! wat schenkt Uw menscnenmin Aan ieder, die U vreest, al milden zegen!

Leer mij Uw wet in huren rechten zin,

En maak mijn hart tot Uw geboón genegen.

35. 't Hoogmoedig volk dicht leugens tegen mij,

Doch ik bewaar van harten Uw bevelen.

Hun hart is vet als smeer, vol hoovaardjj:

Dies zullen zij in Uwe gunst niet deelen;

Maar Uwe wet, waarin ik mij verblij,

Zal mot het zoetst vormaak mijn zinnen strooien.

Sluiten