Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 119.

36. 'tls goed voor mij, vordrukt to zijn geweest, Opdat ik dus Uw godlijk recht zou leeron;

Sinds heeft mijn hart voor hoovaardij gevreesd. Ai! doe mij steeds Uw wil als heilig eeren.

Ver boven goud en zilver, en wat meest Den monsch bekoort, zal ik Uw wet waardeeren.

9. PAUZE.

37. Uw hand heeft mij gemaakt en toeberoid; Ai! maak mij ook verstandig in Uw wetten;

Zoo leer ik Uw geboOn en heiligheid.

Al wie U vreest, zal op mijn heilstaat letten,

Verheugd, dat ik, door Uwe hand geleid,

Niet vruchtloos op Uw woord mijn hoop mocht zotten.

38. Ik weet, o Heer! dat Uw gerichten zijn Gerechtigheid, en Gij mij liet verdrukken

Uit enkle trouw. Och! dat Uw gunst verschijn', Om mij uit angst en nijpend leed te rukken;

Troost mij, Uw knecht, die nu angstvallig kwijn; Mij is die troost beloofd in ongelukken.

39. Breng over mij al Uw barmhartigheèn,

Opdat ik leev'; want al mijn vergenoegen,

Al mijn vermaak is in Uw wet alleen. Beschaam, die zoo hoovaardig zich gedroegen,

Wier leugentong zoo valsch mij heeft bestreen; Doch ik wil mij naar Uw geboden voegen.

40. Dat ieder, die U vroest, zich tot mij keer', Die kundig is in Uw getuigenissen.

Maak, dat mijn hart oprecht Uw lessen eer'; Dat niets die ooit uit mijne ziel moog' wisschen,

Opdat ik niet beschaamd word', laat, o Heer ! Laat mij die gunst op aarde nimmer missen.

10. PAUZE.

41. Mijn ziel bezwijkt, zij is gansch afgemat;

Daar ze aan Uw heil met al haar lust blijft hangen,

Waarop Uw woord mij hoop gegeven had.

Mijn oogen zijn bezweken van verlangen

Naar 'tgeen mij was beloofd, terwijl ik bad: „Wanneer, o God! zal ik Uw troost ontvangen?"

42. Ik ben, helaas! een leedren zak gelijk.

Die al zijn vocht heeft in den rook verloren;

Hoewel ik niet van Uwe wetten wijk.

Hoelang blijft nog Uw knecht dit leed beschoren?

Wanneer zult Gij, opdat mijn onschuld blijk', Hen richten, die mijn rust uit wrevel storen?

Sluiten