Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 137, 138.

4*5*5 6 5 4 3*2* 2*4*6*5*4*

lons wyd uit- - ge-brei- de stroo-men; Elk stort-te daar zijn ^

323 3 2* 6*65 4 * 6 * i j 7 7

bit-tre jam-mer-klacht, Als hij met smart aan 't hei-lig Si-on

6*4*3 2 6*1*7 6564*3*

dacht; Elk, wars van vreug-de en vroo-lij--ke ge-zan-gen,

2*4 5 6*5*5 6 5 4 3*2*

Liet daar zijn harp aan som-bre wil-gen han-gen.

2 De vijand dorst, bij al ons leed, ons tergen,

't Gevangen volk, in zijne jammren, vergen,

Dat elk zijn hart, schoon overstelpt, bedwong, En een gezang uit Sions liedren zong.

Hoe zou, zeide elk, ons, die in rampen zwoegen, In 't vreemd gewest een lied des Heeren voegen .

3. Jeruzalem, dat, zoo ik u vergete,

Miin rechterhand niet van zichzelvowete;

Dat mijne tong aan mijn gehemelt kleev Indien ik u niet steeds mijn achting geev : Zoo ramp of leed mijn hart van Sion scheure,

En ik Gods Stad mijn hoogste vreugd niet keure.

4 Gedenk, o Heer ! gedenk aan de Edomieten, Aan Salems dag, toen wij ons land verlieten;

Dien bittren dag, zoo vol van grievend leed;

Gedenk aan hen, die zoo ontaard en wreed

Nog zeiden, toen ze ons zagen overvallen:

„Ontbloot, ontbloot ten grondslag toe hun wallen.

5.0 Babyion! wij zien eerlang u straffen;

Golukkig hij, die u zal loon verschaffen,

Die u vergeldt al wat ge ons hebt misdaan. Gelukkig hij, dio u terneer zal slaan,

Uw kinkerkens zal grijpen, o gy trotschen! En wreedelijk verplettren aan de rotsen.

I _ d. PSALM 138.

1*3 4 5*1*7*6*5*5*6 5 3*

'k Zal met mijn gan-sche hart Uw eer Vor- mei-den, Heer!

3*4 3 2*1* 1*3 4 5*1 * 7*6 * 5 *1

U dank be-wij-zen;'k Zal U, in'tmid-den van de goón,

Sluiten