Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 140, 141.

8. Laat nooit des boozen wensch gelukken.

Maar stuit hem, eer zijn hand mij treff; Verhinder zijne gruwelstukken,

Opdat hij zich niet trotsch verhefP.

9. Doe tot vergelding, Heer der heeren,

Op mijner haatren moedig hoofd, Den smaad der lippen wederkeeren, Die mij van al mijn eer berooft.

10. Schud, daar zij dus mijn roem verkorten Schud vuurge kolen op hen uit;

Laat hen in 'tvuur, in kuilen storten Geef hen aan 't nare graf ten buit.

11. Een lasteraar, een leugenspreker

Zal nooit op aard bevestigd zijn. Men jage een twist- en onrustkweeker Totdat hij uit elks oog verdwijn'.

12. Ik weet dat God, getrouw in 't richten.

Des armen rechtzaak, daar hij schreit, Hoe valsch hem de ontrouw moog'betichten Beslissen zal naar billijkheid.

13. De vromen zullen U verhoogen,

Gezegend door Uw milde hand. De oprechten zullen voor Uw oogen Steeds bloeien in gewenschten stand.

1 = d. PSALM 141.

3 * 2 1 3*5*4 3 6*5*5*6 65*

'k Roep, Heer ! in angst tot U ge - vlo- den; Ai, haast U tot

3*4 2 3* 5 *4 2 3*4*3 21*1*

mijn hulp, en red; Hoor naar de stem van mijn ge-bed, Daar

3 4 5*5*3 5 4*3*

ik U aan-roep in mijn noo-den.

2. Mijn beê, met opgeheven handen,

Klimm' voor Uw heilig aangezicht, Als reukwerk, voor U toegericht. Als offers, die des avonds branden.

3. Zet, Heer, een wacht voor mijne lippen

Behoed de deuren van mijn mond, Opdat ik mjj tot geenen stond Iets onbedachtzaams laat ontglippen.

Sluiten