Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE LOFZANG VAN MARIA.

iiestooten van de tronen,

Maar Hy verhoogt en hoedt Het nederig gemoed,

"Waarin Zijn Geest wil wonen.

6. Hij heeft, na lang geduld, Met goederen vervuld

Der hongerigen monden;

Hij zag geen rijken aan;

Maar heeft ze, in hunnen waan, Gansch ledig weggezonden.

7. Zijn goedheid klom ten top; Hij nam Zijn Isrel op,

Naar 'theil, Zijn knecht beschoren, Gelijk Hij, ons ten troost, Aan Abram en zijn kroost Voor eeuwig had gezworen.

DE LOFZANG VAN ZACHARIA. 1 = f. Lukas 1:68—79.

5*6 5 3*5*4 4 3* 2* 3 4 5 4 3*

Lof zjj den God van Is-ra-ël, l)en Heer, die aanZjjn erf-

2 *1* 5*6 5 3*5*4 4 3* 2*3 4

volk dacht, En door Zijn lief-de-rijk be-stel Ver-los-sing

543*2*1* 1*2 3 4*2*32

heeft te - weeg- ge - bracht, Een hoorn des heils heeft op - ge

1* 1*3 4 5*6*3 4 5* 3*6 6 5

recht, 't Geen Da-vids huis was toe - ge- zegd, Dat wil Hy ons

3 4*3* 6*6 6 2 * 5 *4 2 3 3

nu schen-ken; Ge-- lijk Gods trouw, van's aard-rijks och-tend-

2* 4*3 2 1*2*7 6 5* 5*1*2*3

stond, Door der Pro-fe-ten wij-zén mond, Zich hier-toe aan

4 5 3 4*2*1 *

de va-de-ren ver-bond.

2. God had hun, tot hun troost, gemeld,

Hoe zijn gon& ons redden zou Van onzer haatren wreod geweld.

Nu blijkt Zijn onverwrikbre trouw;

Nu toont Hij Zijn barmhartigheid,

Sluiten