Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D. Benige wenken :

1. Kookketels of potten mogen niet tot den rand tot met vloeistof gevuld worden, deze zet zich uit bij hei koken en vloeit over den rand.

2. In koud vaatwerk mag geen heet water, en in heel geen koud water gegoten worden.

3. Met een looden of zinken lepel mag men niet in kokend vet roeren.

4. In zure spijzen moet men geen metalen, doch porseleinen, houten of hoornen lepels gebruiken.

5. Laat papieren zakken met suiker, meel, enz. niet in de tafellade liggen, doch berg zulke zaken in bussen, die ge zeer ordelijk op een plank kunt plaatsen; plak op elke bus een papier, waarop de naam van den inhoud vermeld staat.

3. Vuur en water.

A' Een goed geregeld vuur onder den ketel is eene hoofdvereischte om goed te koken.

Over het algemeen wordt te hard gestookt.

Er zijn kooksters, die soms een vuur aanleggen, waarop men wel een os zou kunnen braden. Een matig vuur is onder alle opzichten het beste, want de meeste spijzen moeten langzaam en zacht koken of braden.

\\ il men bij t koken van erwten, boonen, vleesch of aardappelen eene grootere hitte verkrijgen, dan moet men niet het vuur aanwakkeren, doch den stoom in den ketel houden door het deksel goed te sluiten. Overigens neemt de ontsnappende stoom \ ele voedende bestanddeelen uit de spijzen mede.

Indien bij ongeluk het eten aanbrandt, giet dan geen water bij, doch neem aanstonds den pot of ketel van het vuur en giet den inhoud in een anderen reinen ketel zonder eerst te roeren. Al wat aan den

Sluiten