Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Men zorge het tafellaken niet te. bemorsen; daartoe neme men een stukje brood om mes en vork er op te leggen. Men vege den mond of de vingers niet af aan het tafellaken.

4. Beentjes, vischgraten, vruchtenpitten enz. legt men niet op tafel, maar op den rand van het bord.

5. W anneer gij u zelve van spijzen bedient, neem dan niet te veel in ééns en zie toe, dat alle dischgenooten eene voldoende hoeveelheid kunnen nemen. Zoek niet de beste stukken uit, maar neem wat voor de hand ligt. Bedien u niet het eerst, doch laat die eer aan oudere, vooral hoogergeplaatste personen.

(>. De saus giet men niet uit de sauskom op het bord; men bedient zich daarbij van een lepel.

/. \ ermijd alles wat bij anderen afkeer of walging zou kunnen verwekken, als: in de heete soep of op andere spijzen te blazen — spijzen of dranken uit den mond te laten vallen den mond bij het eten wijd te openen — haastig en gulzig te eten — met de tong te smakken — te veel eten in ééns in den mond te nemen — te drinken of te spreken

met een vollen mond — aan de spijzen te ruiken

met eigen lepel of vork spijzen uit den algemeenen schotel te nemen iets waarvan men reeds gegeten heeft op den schotel terug te leggen — vingers, mes of vork af te likken — met de vingers, met mes of vork in de tanden te peuteren — met den vinger het bord af te vegen of met de tong af te likken een vol glas in één teug te ledigen — na het drinken hardop te zuchten te slurpen of anderszins anderen te storen.

Sluiten