Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het bekken, en vooral liet lange en smalle heupbeen rechts en links, zijn vergroeid met het achterste gedeelte van do wervelkolom en vormen zoo een stevig aanhechtingspunt voor de achterste ledematen, een krachtigen steun voor het lichaam bij het gaan. Van binnen tegen het bekken aan liggen de

nieren. Van de gewrichtsholten van het bekken loopen de zit- en schaambeenderen evenwijdig aan elkaar naar achteren, maar gewoonlijk zijn de beide schaambeenderen niet. als bij de zoogdieren aan de buikzijde van het lichaam, door een kraakbeenig gedeelte (symphyse) vereenigd aan elkaar, maar is het vogelbekken open. Een zoo groote stevigheid van den bekkengordel is hier geen vereischte, omdat loopen niet de voornaamste wijze van voortbeweging is gelijk bij de zoogdieren en bovendien mag het ei, door een harde schaal omgeven, geen tegenstand ondervinden op zijn weg door eileider en cloaca.

De achterste ledematen bestaan uit het in den rusttoestand naar voren gerichte dijbeen (,femur), het naar achteren gekeerde, in hoofdzaak uit het scheenbeen {tibia) bestaande benedenbeen, het loopbeen {tarso-metalarsus) en de uit velschillende kootjes (pJialavgei.s) bestaande teenen. Gewoonlijk zijn er vier teenen, van welke de kleinste naar achteren is gericht, de drie andere naar voren zijn geplaatst en de buitenste de langste is; deze bestaat uit vijf kootjes, elke volgende uit één kootje minder, dus de naar achteren gekeerde uit twee. Zijn alle vier naar voren gericht (Gierzwaluw), dan spreekt men van klemvoeten; zijn zij boven¬

dien verbonden door zwemvliezen, dan van roeivoeten (Jan van Gent). Bij klimvoeten (Spechten) zijn de eerste en vierde teen achterwaarts geplaatst, bij Koekoek en Uilen kan de vierde teen naar willekeur naar voren en naar achteren worden gericht. Dikwijls ontbreekt de eerste teen, bij den Afrikaanschen Struis ook de vierde.

Niet alleen liet geraamte, maar ook de huid en de daaruit gevormde deelen vertoonen allerlei eigenaardigheden, met het vliegvermogen in verband staande, in den snavel vinden wij geen tanden om het voedsel fijn te maken, waardoor dit deel van den kop alweer geringer gewicht verkrijgt; de verrichting wordt overgenomen door de spiermaag, gelegen dicht bij het zwaartepunt van het lichaam. Klieren, en vooral zweetklieren, komen in de huid niet voor, daardoor wordt verdamping van vloeistof en dus veel warmteverlies voorkomen. Slechts één klier, de vetklier of stuitklier, is ontwikkeld: met de daardoor afgescheiden olie maken de vogels, en vooral de zwemvogels, zich de groote veeren vettig, om te voorkomen dat aan hun vleugels water hechten blijft, waardoor die vleugels alweer zwaarder zouden worden. De meest kenmerkende eigenaardigheid van de huid eens vogels is evenwel het veerenkleed. Een vogel toch moet voor het vliegen de beschikking hebben over een groote hoeveelheid arbeidsvermogen en dus over veel lichaamswarmte, die ontstaat door opname van voel voedsel en scheikundige omzetting daarvan. Het veerenkleed 1111 dient

binnen gezien.

I en II <lc beide echte heiligbeen wervels, IV. de onderling saamgegroeide voorste staartwervels, li. ribben, Jl. heupbeeii, JS. zitbeen, P. sehaambeen.

Sluiten