Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dieren (Kerkuil) aan den binnenrand getand (evenals bij den Geitenmelker,

Carprimulgus).

De veeren zijn zacht en liggen los over elkaar heen, waardoor de lichaamsom\ ang aanzienlijk wordt vergroot. Bij veel soorten zijn de veeren op een eigenaardige wijze geteekend: donkere overlangsche strepen met slangvormig£,t bogen dw ai «lijntjes geven een bruine tint aan den vogel, die hem weinig 'loot afsteken tegen boomstam en rots. De meeste Uilen zijn schemering- of n,i<Jit\ ogels, die zich in hoofdzaak met kleine warmbloedige dieren en vooral met muizen \oeden. 'Onverteerbare deelen, haren, beenderen enz. worden in ballen weei uitgebraakt. Al onze inlandsclie uil-soorten zijn nuttig voor landen boschbouw en verdienen dus onze bescherming; de in Duitschland levende Oehoe is \ ooi het jachtwild schadelijk en wordt dus door den jager vervolgd. — Den dag biengen de meeste Uilen in holle boomen, rotsspleten of oude gebouwen • looi, en op dei gelijke plaatsen nestelen zij ook. De eieren hebben een eigenaardige, kenmerkende gedaante: zij zijn meer of minder kogelrond.

I laat I. ï'ig. 1. De Kerkuil (Strix flarnmea L.) onderscheidt zich door den d riehoekig-hartvormigen sluier, door de grijsachtige gestippelde bovenveeren en de lichtere, roestgele, bruingevlekte veeren der onderzijde. De vogel is 30-40 cM. lang en bewoont de gansche aarde met uitzondering der koudste gedeelten. Bij ons nestelt hij zelfs wel eens in duiventillen en leeft dan met de bewoners daai \ an in de grootste harmonie; hij is een der beste muizenverdelgers.

I' ig. 2. De Bosch uil (Syrnium ahico B.) heeft een grooten, dikken kop, gioote, zwartbruine oogen, en de eigenaardige bovengenoemde teekening der \ eeren op roodachtigen of grijsbruinen ondergrond. De groote bosschen bewonende, is hij nuttig doordien hij zich met muizen voedt.

De N a a k t p o o t u i 1 (AjjctciJe Tengmcihtii G,) is een kleinere vorm, ongeveer in grootte en kleur gelijk aan den Steenuil of' Boomuil, maar er van onderscheiden door de dichtbevederde teenen en een staart, die 3-4 cM. langer is dan de vleugels; luj is weinig bekend en schijnt uitsluitend in groote naaldbosschen te leven.

legenover de tot nu toe behandelde vormen, die wel Katuilen genoemd worden en geen op don kop rechtopstaande veertjes dragen, staan de uilsoorten, die dat wel doen en onder den naam ooruilen kunnen worden saamgevat.

H&'. 3. De Woud-Oor uil is niet bijzonder groot, heeft op den kop groote rechtopstaande oor-veeren, een duidelijken sluier en het voorkomen van een echten uil; de bosschen bewonende en zich daar voedende met muizen, verdient hij aller bescherming.

De M o e ras - O or u il (Otus bracliyotus C.) is even groot, maar heeft veel kleiner oorveeren, een duidelijken sluier, en van onderen geelbruine dwarsgestreepte veeren; hij bewoont moerassige velden, waarop hij ook nestelt en eet zeer veel muizen.

De Dwerg-Ooruil (Ephialtes scojts G.) is een kleine vogel, grijsbruin gekleurd, met groote oorveeren, die in de Alpen en hij de Middellandsche zee woont en zelfs wel in kooien gehouden wordt.

Fig. 4. De Oehoe (Biibo maximus S.) is de groote ooruil, aan de bovenzyde van den kop loopt de sluier niet geheel door. De veeren vertoonen ook hier de voor de Uilen zoo kenmerkende teekening, de grondkleur is roestbruin, de

Sluiten