Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze is de 't meest voorkomende en 't best bekende soort, bruingrijs van boven en witachtig min of meer gestreept aan de onderzijde, als zeer nuttige insekteneter, die bossclien en tuinen bewoont en gaarne in een nestkastje zjjn nest bouwt. De Zwartkop- Vliegen vanger i Muscicapa atrkupilla L.) en de zeldzamere Witgehalsde of Bonte Vliegenvanger {Muscicapa albicol/is T.) bezoeken ons land geregeld ieder jaar op den trek. Enkele malen is in ons land waargenomen de Kleine Vliegenvanger (Muscicapaparva B.), die meer in noordoost-Duitschland thuis is.

Familie XIV. Laniidae, Klaiuvieruogels.

Krachtig gebouwde vogels, soms ter grootte van een Lijster, met krachtigen, haakvormig gekromden en van een snaveltand voorzienen snavel, die zich met insekten en kleine, gewervelde dieren voeden, welke zij weieens, indien zij ze niet in hun geheel of in één maaltijd kunnen verorberen, aan doornen spietsen. (Negendooder, Doornrijger)

Fig. 2. De Klapekster {Lanïus excubitor L.) is aschgrauw van boven met zwarte oogst reek, bij ons een standvogel of' zwerfvogel, zich voedende met insekten, kleine dieren, b.v. Muizen en ook Zangvogels. Kleiner, maar met zwart voorhoofd en roodachtige borst is onze

Fig. Kleine Klauwier, (Enneoctonus minor L.) een trekvogel. Door den aschkleurigen kop, de zwarte oogstreep en den bruinrooden rug onderscheidt zich

Fig. 4 de Grauwe Klauwier (Enneoctonus collurio G.). Hij is de meest verbreide en meest bekende der vier soorten, die van April of Mei tot September heggen en tuinen bewoont, en door zijn aangenaam gezang zich onderscheidt. Zeldzamer is de Koode Klauwier (Enneoctonus rufus B.) met roestbruinen schedel en zwarte bovenzijde, een trekvogel, die laat komt en vroeg gaat.

Familie XV. Oriolidae, Kor tj toot spreeu wen.

Dikwijls bontgekleurde vogels met kegelvormigen snavel, in de oude wereld levende en zich voedende met bessen en insekten. De eenige Inlandsche soort, geel met zwart gekleurd, is

Fig. 5 de W iele waal (Oriolus galbula L.), een schuwe vogel, die een eigenaardig helder geroep hooren laat. Hij leeft in hooge boomen, komt eerst met Mei in ons land en voedt zich met rupsen en vooral met kersen. Zijn nest wordt gebouwd zóó, dat het niet op een tak rust maar er aan hangt.

Familie XVI. Paridae, Mcezen.

Kleine vogeltjes, die in de noordelijke gematigde streken leven, met een korten, kegelvormigen snavel. Het zijn vlugge, zich met insekten maar in den winter ook wel met zaden voedende diertjes, die zeer nuttig zijn. Met Boomkruiperen Goudhaantje zijn zij de beste vrienden van landman en tuinman, want zij zijn zeer vruchtbaar, komen dus meestal in groot aantal voor, eten

Sluiten