Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en met talrijke gevoelspapillen bezet. Van het tongbeen eindigen de beide hoornen niet, als gewoonlijk, bij het achterhoofdsgat, maar loopen, evenals bij den Kolibri, ruim om liet achterhoofd heen tot boven aan den wortel van den snavel. Bij het klimmen en hameren tegen den boomstam steunen zij zich, evenals de Boomkruipers, ook met den staart; om dezen stevig te doen zijn is het uiteinde van den wervelkolom zeer breed. Het voedsel bestaat vooral uit insekten, die zij met de lange tong onder de schors weten vandaan te halen.

De groene Specht en Draaihals eten gaarne mieren en de poppen van deze; andere soorten eten ook wel boomzaden. Zij broeden in holle boomen; de echte Spechten hakken hiertoe zelf een gat in den stam.

Plaat XIII, Fig. |. De Draaihals (Yynx torquilla L.) onderscheidt zich van de echte Spechten door den korten, kegelvormigen snavel, de gladde, niet met weerhaken bezette tong, de zachte, buigzame stuurpennen en het grauwe, gevlekte gevederte aan de bovenzijde. Het liefst bewoont hij de lanen en de randen der bosschen, doet reeds in April zijn eigenaardig geroep bij ons hooren en voedt zich in hoofdzaak met mieren en haar poppen. Zich tn gevaar bevindende, draait hij op zonderlinge wijze den kop, richt de veeren op, spreidt den staart uit en tracht zoodoende den vijand te verschrikken.

Andere Spechten zijn olijfgroen aan de bovenzijde, groenachtig wit van onderen. Als zwerf- of standvogels bewonen zij onze bosschen of waterrijke streken, voeden zich vooral met mieren en haar poppen en komen in den winter dichter bij onze woningen.

Fig. 2. De Groene Specht (Gecinus viridis L.) is om de oogen heen zwart, op den kop helder rood; de Kleine Groene Specht (Gecinus canus G.) vertoont minder duidelijk die sterk tegen elkaar afstekende kleuren; het wijfje vertoont het rood dikwijls in 't geheel niet. Ook is het geluid, dat hij voortbrengt, anders.

Fig. 3. De Zwarte Specht (Dryocopus martius L.) is de grootste van alle, zwart van kleur met rooden kop bij het mannetje, rooden nek bij het wijfje. Hij bewoont in hoofdzaak de naaldbosschen van de Alpen en van Midden-Duitschland, zich voedende met insektenlarven en roode mieren en maakt zijn aanwezigheid dikwijls kenbaar door een luid gehamer tegen takken en stammen, om te weten te komen waar een hol klinkende slag hem de aanwezigheid van een insekt in liet hout kan doen vermoeden.

Fig. 4. De Groote Bonte Specht {Ficus [Dcndrocopus] major L.) is zwart, wit en rood gekleurd. Van den snavel loopt langs den hals een zwarte streep, in den nek komt bij het mannetje een roode dwarsband voor. achter op den rug is de kleur zwart, de stuurpennen zijn rood. Hij bewoont meestal dennenbosschen en zwerft in herfst en winter vaak rond met Meezeil, Goudhaantjes enz. in bosschen en velden, zich voedende met insekten en plantenzaden.

Fig. 5. Middelste Bonte Specht (Picus [Dcndrocopus] medius L.). In beide geslachten is de kop van boven karmijnrood, ontbreekt het zwart in liet aangezicht, doordien de halsstreep niet verder dan tot aan de wangen komt, is de onderzijde gevlekt-gestreept en deze roodachtig van kleur. Hij woont in eikenbosschen.

Sluiten