Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

land broedende aangetroffen is; 's morgens vroeg en 's avonds laat ziet men hem zijn voedsel zoeken op boschwegen en op vochtigen bodem. De meeste Snippon, die bij ons worden geschoten, zijn hier op den trek. Door een aan het uiteinde afgeplatten snavel en door roestgele strepen op den rug zijn de Watersnippen (Gallinago) onderscheiden. Bij ons te lande zeer goed bekend is Fig. 4 de Watersnip (Galinago media G.) met bijzonder langen snavel en een lichte streep over den zwarten kop. Het mannetje houdt in den paartijd allerlei vliegoefeningen; o. a. verheft het zich in een schroeflijn in de hoogte om met uitgespreide vleugels weer naar den bodem terug te keeren.

Door den langen, een weinig naar beneden gekromden snavel, die twee- tot driemaal zoo lang is als do kop, door slanke en hooge pooten met breede voetzool, door veeren, die gelijkgekleurd zijn als die van een Leeuwerik, en door aanzienlijke grootte zijn de Wulpen gekenmerkt. Zij bewonen de kusten, de duinen en de moerassen.

Fig. 5. De Wulp (Numenius arquatm L.) broedt bij ons. Aan hem nauw verwant, maar door een weinig naar boven gekromden snavel en door een zeer afwisselende kleur bij beide geslachten en in verschillende tijden van het jaar verschillend, is de Grutto (Limosa). Hij leeft meer in het noorden, maar in den tijd van het trekken verschijnen talrijke vluchten aan onze kusten en in het binnenland. Bij ons broedt hij veel in het hooiland en zijne vier op kievitseieren gelijkende, maar iets grootere en zeer smakelijke eieren worden ijverig gezocht en gegeten.

Door een rechten snavel, weinig langer dan de kop, slanke pooten, een naar den tijd van het jaar en geslacht zeer in kleur wisselend gevederte en door geringe grootte, zijn de Strandloopers (Tringa) onderscheiden. Tweemaal per jaar wisselt hun veerenkleed van kleur; in den zomer is het roestbruin, in den winter aschgrauw. Het zijn vogels uit het noorden, die in den winter buitengewoon ver naar het zuiden gaan, tot in Midden-Afrika en zelfs naar Kaapland.

ig\ (». De Bonte Strandiooper {Tringa alpina C.) is een enkele maal broedende waargenomen aan den Hoek van Holland, in Friesland en NoordBrabant. De grootste en meest bekende soort is

Fig. 7 de Kemphaan {Tringa [Machetes] pugnax G.). Vooral bij de mannetjes is de kleur zeer afwisselend. Een kraag om den hals is licht of donker gevlekt of gestreept op zwart-blauwen, zwart-groenen, roestkleurigen of witten grond. Even verschillend is de kleur van borst en rug. Gedurende den paartijd houden de mannetjes op bepaalde plaatsen, ook zonder dat de wijfjes er bij tegenwoordig zijn, hevige gevechten, waarbij echter geen slachtoffers vallen; de houwen met den zwakken snavel worden door den kraag om den hals en door den in dien tijd harden kop opgevangen. De Kemphaan bewoont het noorden van de oude wereld; in ons land broeden zij niet algemeen, minder dan Kieviten, Grutto's en Tureluurs.

Met langer snavel en hooger pooten zijn de Ruiters (Totanus) slanker. Verschillende soorten worden bij ons aangetroffen en de 't meest voorkomende is Fig. 8 het Witgatje, in Friesland ook wel Poolsche Snip genoemd

Sluiten