Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schade kan toebrengen. In ons vaderland is deze schadelijkste allei Kiekendieven van Maart tot September.

De vierde onderfamilie is die der W ouwen (Milvinae), die een ge\«akten staart heeft. Een roestkleurig gevederte en een diep ingesneden staart onderscheiden den

Fig. Wouw of Milaan (Miluus regalis B.) van den donkerder gekleurden Zwartbruinen Wouw (Milvus ater Gm.). De eerste bewoont bosschen en velden en voedt zich met muizen, amphibieën, insekten, maar ook met doode dieren, de laatste leeft van watervogels en visschen.

De vijfde onderfamilie is die der Buizerden (Buteoninae), die aan den zwakken snavel geen tand bezitten, een gedrongen gestalte hebben en, in de vlucht, groote afgeronde vleugels. Het voor het grootste gedeelte onbevedeidt loopbeen van

Fig. 4 den Buizerd (.Buteo vuig ar is B.) onderscheidt hem van den Ruigpootigen Muizen valk (Archibuteo lagopus 6r.), die het loopbeen tot de teenen bevederd heeft. De eerste is met Torenvalk en Sperwer onze meest algeineene roofvogel en behoort tot de nuttigste muizenverdelgeis. L*e laatste, een vogel uit het noorden, komt in den winter vooral in de duinstieken veel voor. De kleur van beide verandert nogal, en wisselt tusschen zwartbruin en helderwit. Een derde bij ons voorkomende en ook wel broedend aangetrotten soort is de Wesp en dief {Pernis apivorus G.), ook in allerlei kleuien zich vertoonende; hij heeft harde, korte veertjes op kop en wangen, en diaagt zijn naam naar zijn gewoonte om zich met Vliesvleugeligen te voeden, van

welke dieren hij eerst den angel afbijt.

Behalve door bovengenoemde verschilpunten tusschen de diie sooiten van Buizerd en den Havik, die alle ongeveer even groot zijn, kan men hen ook nog hieraan onderscheiden, dat de Buizerd aan den staart 10—20 smalle strepen heeft, de Ruigpootige Muizenvalk een bijzonder bieede eindstieep, dt Wespen dief drie breede, eenige smalle en een breede eindstieep, de Ha\ ik

gewoonlijk vijf breede strepen.

De zesde onderfamilie is die der Visch ar enden {Pandioninae), die de verbinding vormen met de echte Arenden; zij hebben een halfcnkehoimigen snavel, een loopbeen, dat met ongeveer ÜO overlangsche rijen van elkaar dakpansgewijze bedekkende schubben is bekleed, een buitenteen, die ook naai achteren gericht kan worden, sterke klauwen en een korten staart, waarbuiten de uiteinden der vleugels uitsteken. Nagenoeg overal leeft de ook bij

ons in visclirijke streken voorkomende

Fig. 5 Visch arend (Pand ion hodiaètus G\), die een grijsbiuin geklemde

washuid, loopbeen en pooten heeft, een witten, donker gestreepten kop, en

een donkere streep over de oogen. Hij schiet in het watei om \iss< hen te

bemachtigen en kan daardoor schadelijk zijn.

De zevende onderfamilie is die der Arenden (Aqudtnae), die een langen, aan de basis rechten, aan den top haakvormig omgebogen snavel hebben, stijve veeren in den nek, een of alleen van boven, of o\ei de geheele lengte bevederd loopbeen, en krachtige, scherpe klauwen. Door koite vleugels, lange

Sluiten