Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

soorten bewonen bij voorkeur waterrijke streken, vele leven in troepen of in koloniën; de jongen zijn, behalve bij de Flamingo's, en in tegenstelling' met de dieren der vorige orde, nestblijvers.

onricronk1:

Phoenieopteri, Flamingo 's.

Zeer langhalzige en langpootige waadvogels; de jongen zijn nestvluchters. De snavel is in het midden naar beneden gebogen en heeft een smalle, aan het voorste gedeelte platte bovenkaak, terwijl de onderkaak aan de randen kleine hoornplaatjes draagt. Hierdoor en door het bezit van zwemvoeten herinneren zij ons aan Ganzen. Met omgedraaiden hals en dus naar beneden gekeerden bovensnavel, slobberen zij in het slijk van den bodem van het water naar hun voedsel, dat uit algen, diatomeeön en andere plantendeelen, maar ook wel uit kleine diertjes bestaat; hierbij doet, in tegenstelling met de andere Wurg vogels, een goed ontwikkelde tong als tastorgaan dienst. De meest bekende vorm is

Fig. 2 de Flamingo (Phoevicopterus ruber L.), levende in de Middellandsche zee-streken; naar Duitschland dwalen soms exemplaren af; eenmaal is er zelfs een bij Woensdrecht geschoten.

I wrcnr onderonle :

Cieoniae, Ooievaars.

Middelmatig groote tot groote moerasvogels met waadpooten en met kleine vliesjes tusschen de naar voren gerichte teenon. De lange snavel is krachtig, recht, soms iets op- of neerwaarts gebogen. De jongen zijn gewoonlijk nestblijvers.

Familie 1. Cïconiidae, Ooievaars.

Fig, 3. De Ooievaar [Ciconia alba L.) is een trekvogel, die in de meeste landen van Europa wordt aangetroffen en bij ons op de dorpen en nabij de steden broedt; reeds in de eerste dagen van Maart komt hij tot ons. Zijn voedsel bestaat uit kleine, gewervelde dieren van allerlei soort. In boschrijke streken van Noord-Duitschland, Hongarije, Gallicië enz. broedt

Hg. 4- de Zwarte Ooievaar (Ciconia nigra L.). die in den nazomer nog

Sluiten