Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zeer groot groen kelkglas met bekoorlijk onregelma- 115.

tige vormen. (Duitsch werk). Legaat Ypey.

1580. Glazen kannetje met deksel, versierd met voor- 116.

stellingen van herten en honden in roode en gele verf.

Duitsch werk.

16e eeuw. Zeer fraai gevormde toren wachters hoorn 117.

van gegoten koper. Aan weerszijden van het breede uiteinde een familiewapen. Afkomstig van de familie van Sminia te Bergum.

17e eeuwsche wijnkannetjes van Delftsch aardewerk 118-120. en (119) een gelijkvormig exemplaar met voor Delft ongewone versiering als marmer: geel, blauw en paars op wit fond. Op het zilveren deksel de wapens van Burmania en Ockinga. Geheel dezelfde kleuren komen voor op het er naast liggende te Makkum opgegraven middenstuk (120) van een schotel, waarop een ooievaar is voorgesteld.

Twee schotels en (123) eene 1725 gedateerde vuurtest 121—123. van Makkum er aardewerk.

De bekende en nog bestaande Friesche plateelfabriek der familie Tichelaar te Makkum, een zeeplaatsje ten zuiden van Harlingen, werd vrijzeker in 1669 opgericht en vervaardigde vooral tegels. Volgens mededeeling van den tegenwoordigen fabrikant bevond zich in het hoofdgebouw van de fabriek, dat blijkens de ruime pakzolders gebouwd moet zijn voor deze zaak, eene thans verwijderde gevelsteen met jaartal 1669. Te Hindeloopen en vele andere plaatsen in Friesland vindt men door Makkum geleverde tegelwanden. Men voerde ook uit naar Oost-Friesland.

Zie 79e Verslag v. h. Fr. Gen. blz. 38.

Verzameling borden, kopjes, kommen, tabaks- 124. Toonkast

doozen enz. met voorstellingen en opschriften betrek- tusschen de

k e 1 ij k het Huis van Oranje-Nassau, meest uit ramen,

de tweede helft der 18e eeuw.

Belangrijke verzameling van drink- en kruithoorns (zie ook

no. 109), meerendeels van Friesche origine o. a.:

1567. Drinkhoorn met lange inscriptie, beginnende aldus: 125.

Welt drencken by cleuerbladen ofte by paren : sonder kywen ofte horten.

lek doet u verclaren, die kiesen seggen als sy vergaren laet ons drencken, laet ons storten, mendert het goet ons dagen die korten.

Het slot luidt:

die my birecht ofte die mine, die gae toe huis ende birecht die sine, vynt hy daer dan geen gebreck soe koine tot my ende seg wat my let. — Taeckle Gerber Ydarderadeel.

o

Sluiten