Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komen uitsluitend voor op de Friesche kleistreken (zie inleiding periode A). In de tegenwoordige provincie Friesland ten getale van omstreeks 500, blijkens eene door de zorgen van het Friesch Genootschap vervaardigde terpenkaart (zie 78^ Verslag v. h. Fr. Gen. blz. 42). Een groot gedeelte daarvan is reeds afgegraven; terwijl de bij die gelegenheid voor den dag gekomen oudheden meestal gevoegd werden bij de verzameling van het Friesch museum, die op dit gebied de meest volledige mag heeten, als bevattende ruim elf duizend nummers uit omstreeks 160 verschillende terpen. tentoongesteld is slechts eene keurverzameling, de rest is geborgen in depots en op aanvrage bij den conservator te

bezichtigen. . .

De terpen, die ook langs de kust van de provincie Groningen en van het aangrenzende Duitschland voorkomen, bevatten, behalve herinneringen aan andere stammen, de oudste beschavingsresten van het Friesche volk, althans voor zooverre het zich hier te lande ophield. Het zijn enorme heuvels van soms wel tien of meer hectaren oppervlakte, bestaande gedeeltelijk uit onvermengde klei, gedeeltelijk uit lagen van klei, mest en afval. Hoewel de wording der terpen nog niet voldoende bekend is, staat toch vast dat deze, hetzij voortdurend, hetzij in bepaalde tijden van het jaar bewoond werden, aanvankelijk niet hooger waren dan het omliggende maaiveld en langzaam aan zich verhieven tot dat zij omstreeks den laat-Karolingischen tijd hun tegenwoordig niveau bereikten, d.i. voor het hoogste punt ongeveer 5—10 meter boven Amsterdamsch peil. Het ontstaan der terpen hangt samen met de lage ligging van de Friesche kleilanden die bij hooge vloeden in de dijklooze tijden door zeewater overstroomd werden. Zeer waarschijnlijk kwamen die vloeden bij het wijder worden der zeegaten tusschen de kusteilanden Ameland, Vlieland, enz., mogelijk ook door het zinken van den bodem (een kwestieus punt) steeds hooger en konden bijgevolg de terpen in den Romeinschen tijd vrij laag zijn. De kwestie van den ouderdom der terpen is van het hoogste belang voor de afbakening van de andere perioden van den Nederlandschen voortijd. Meenden enkele oudheidkundigen dat de terpen terug gingen tot den tijd der hunnebedden, thans staat vast o. a. door de afwezigheid van bronzen wapenen en werktuigen, die minstens tot omstreeks 400 vóór Christus in gebruik bleven, dat die opvatting onhoudbaar is. Aan den anderen kant is in den

Sluiten