Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Overigens werd in de naaste omgeving niets gevonden, ook niet bij de \ roegere afgra\ing '\an den bovengrond, wat blijkt uit de rapporten van den terpinspecteur van het museum, den heer J. P. Wiersma. Een \ oorstuk van eene bijna gelijke spang, eveneens met filigraan werk en 5 bah e bollen versierd, kwam voor den dag niet de bekende goudvondst uit de terp te Wieuwerd, welke vondst volgens daartoe behoorende munten, stellig uit de 7e eeuw n. C. dateert (vgl. nu. 292). De holle gouden kast van de Hoogebeintumer spang is gevuld met wras a <ui bijen en afgesloten met een door ombuiging der gouden rand bevestigde ijzeren plaat. Bij de middenschijf, waarvan de ijzeren bodem bij het vinden grootendeels verloren ging, ligt de was nu bloot. De middenschijf is bevestigd op een brugje dat voor- en achterstuk verbindt.

Hoewel spangen van dezen vorm ook in Skandinavie voorkomen, (zie de afl). van no. 309), zijn deze toch geheel anders versierd. Niet onwaarschijnlijk is liet dus dat de Friesche stukken iu ons land vervaardigd zijn, b.v. in een centrum als Wijk bij Duurstede. De filigraanversiering op zich zelf genomen en in gelijke techniek komt wel degelijk in het buitenland voor. Zie b.v. de prachtige schijfvormige Angelsaksische speld uit Abingdon, bij Haupt, Die dlteste Kunst insbesondere die Baukunst der Germanen. 1909, Taf. I.

965. Houten lepeltje, spatelvormig en versierd met kerfsnee-ornament. Tijd der volksverhuizingen. Lang 10.5 cM. Uit de Sytsma-terp te Blija. Inv. 28 b, no. 268. Zie afb.

Vgl. een gelijk versierde houten schepnap van omstreeks 400 n. C. bij Montelius, Kulturgeschichte Schwedens, 1900, tig. 320. Het Friesche lepeltje is een der oudste voorbeelden van kerfsnee in ons land.

De muts in Friesland.

(Sedert omstreeks 1/75y ook in verband met liet oorijzer).

966. Muts — zoogenaamde „Duitsche muts" — van kant, als een halfronde luifel, met breeden, recht neerhangenden rand, waarin vaasvormig ornament. Zij werd gedragen op een koperen hoepel. Breed 72 cM. en met een straal van 32 cM. Inv. no. 1138.

Geschenk van wijlen Mevr. Ypey-Looxma te Rijper kerk.

Ondanks den hoepel bleef men ook het gewone oorijzer dragen, in dien tijd — laatste kwartaal der lSe eeuw — nog vrij smal. Bij deze mutsen behooren de enorme nog in vele exemplaren voorhanden zonhoeden. (Zie no. 83S).

Het Fr. Museum bezit meerdere portretten van Friesche dames met deze muts, o.a. twee door P. Groenia geschilderd in 1792 en 1798. Een Haninger stadsgezicht door N. Baur, van 17S8, is gestoffeerd met eene vrouw met zonhoed. Zie ook het volgende nummer.

967. Pastelportret eener Friesche dame met de Duitsche muts. De vogelkopvormige knoppen van het oorijzer zijn duidelijk zichtbaar naast de ooren. Omstreeks iy8j. Zie afb. Geschenk van Mr. J. C. Overvoorde te Leiden.

Sluiten